Kernwapen smeedt Frans-Britse as

De entente cordiale beleefde deze week een hoogtepunt. President Chirac werd ontvangen op Chequers, het buitengoed van premier Major. De Britse eerste minister had zich tevoren in een vraaggesprek met Le Monde al als een goede vriend van Chirac en Frankrijk uitgelaten, een vriendschap waarin de lankmoedigheid de boventoon voert. Zo begreep Major dat je atoomproeven niet langer kon uitstellen als het eigen militaire en wetenschappelijke establishment die experimenten hoogst noodzakelijk achtte. Chirac van zijn kant wenste met Brittanniës huiver voor een Europese munt verregaand rekening te houden, ook al zou Frankrijk zelf zich inspannen om die munt ingevoerd te krijgen.

In de publiciteit hebben beide leiders veel werk gemaakt van hun samenwerking op het gebied van de nucleaire strijdkrachten. Met de Franse kernproeven is het nucleaire vraagstuk weer op de internationale agenda geplaatst en wat Britten en Fransen betreft moet het daar ook blijven. Het einde van de Koude Oorlog beschouwen zij niet als een keerpunt in de atomaire geschiedenis, zoals Amerikanen en Russen dat zien.

De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie zijn destijds een volledige liquidatie van hun tactische raketwapens en een verregaande inkrimping van hun strategische nucleaire strijdkrachten overeengekomen. De Russische Federatie heeft die akkoorden vervolgens geëerbiedigd, de andere voormalige Sovjet-republieken hebben zich neergelegd bij de verwijdering van alle kernwapens van hun grondgebied. Bovendien hebben Washington en Moskou elkaar verzekerd dat de targeting (het gericht staan van kernwapens op strategische doelen van de voormalige tegenstander) ongedaan is gemaakt.

Niet aldus Frankrijk en Groot-Brittannië. Zij hebben zich historisch buiten de onderhandelingen over reductie van atoomstrijdkrachten weten te houden met het argument dat hun kernbewapening kwantitatief en kwalitatief tot aanzienlijk minder in staat was dan die van de supermogendheden. Pas als de strategische overkill van de groten tot het verleden zou behoren, zou er reden kunnen ontstaan voor een Britse en Franse deelname aan overleg tot verdere beperking van deze categorie wapens.

De Sovjet-Unie heeft destijds wel eens getracht Parijs en Londen tot een andere houding te bewegen, maar uiteindelijk heeft zij zich steeds weer neergelegd bij een uitzonderingspositie voor Fransen en Britten. Ook al beweerden Sovjet-deskundigen indertijd dat de Franse en Britse kernstrijdkrachten samen in staat waren zeker drievijfde van het grondgebied van de USSR totaal te vernietigen.

Van die gezamenlijkheid was toen nog geen sprake, maar nu doen Chirac en Major hun best de indruk te wekken dat zij beiden met overtuiging aan een samengaan werken. Daarbij geven zij zich al over aan thinking the unthinkable, zoals het jargon destijds luidde. Een bedreiging van een van beide mogendheden geldt eveneens de ander, zeggen zij, en ter afwending ervan zal zo nodig een nucleair waarschuwingsschot worden gelost.

De Britten sluiten zich dus aan bij het Franse concept van de armement nucléaire aéroporté à vocation préstrategique' (ou tactique). En inderdaad: de eerste vrucht van de samenwerking moet de ontwikkeling worden van een door vliegtuigen af te vuren raket die, uitgerust met een atoomkop, over langere afstanden tegen gronddoelen kan worden ingezet. Het concept was een in de loop der jaren ontwikkelde Franse concessie aan de Atlantische strategie van het 'lenige antwoord' en week principieel af van de uitsluitend op afschrikking gefundeerde strategie, zoals generaal De Gaulle die voor ogen had. Volgens de eerste president van de Vijfde Republiek zou slechts het dreigen met een volledige inzet van het Franse kernwapen op een beslissend moment de tegenstander buiten de deur houden.

Bij de Atlantische strategie van het 'lenige antwoord', van een escalerende reactie op een in omvang, intensiteit en reikwijdte zich uitbreidende aanval, behoorde een potentiële vijand en een garantie. Die vijand was de Sovjet-Unie, de garantie kwam van de Verenigde Staten in de vorm van enkele honderdduizenden militairen in Europa, een sterke in en rondom het continent gestationeerde luchtmacht en een strategisch kernwapen dat het evenwicht van de afschrikking in stand hield. In de hedendaagse verhoudingen is de vijand weggevallen en hoewel de VS via de NAVO hun garanties hebben geprolongeerd, heeft de directe Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa vooral een symbolische betekenis gekregen: voor het geval dat.

Wat de Franse en Britse regeringen nu willen, blijft onduidelijk. Weliswaar heeft president Chirac in de context van zijn beslissing kernproeven toe te staan gewezen op de labiliteit in Rusland en ook op het risico dat bepaalde regimes in Derde-wereldlanden wel eens tot een vorm van atoomchantage tegenover Europa zouden kunnen overgaan, maar aan de Koude Oorlog ontleende strategieën of varianten daarop lijken toch niet het passende antwoord te leveren op dergelijke overigens uiterst vage noties. Zeker niet als dat antwoord buiten de NAVO en dus buiten de VS om zou moeten worden gegeven.

Gezien het hoge abstractieniveau van de strategische duiding moet aan de Frans-Britse nucleaire initiatieven wellicht een meer rechtstreeks en vooral politiek doel worden toegeschreven. De Duitse hereniging en het daarmee gepaard gaande wegvallen van het geallieerde toezicht op Duitsland zijn in Parijs en Londen nog maar zeer ten dele verwerkt. Bovendien dreigt de Britse en Franse positie als permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties straks sterk te worden gerelativeerd als landen als Duitsland en Japan in diezelfde kwaliteit tot het hoge gezelschap worden toegelaten. Het bezit van kernwapens is dan langzamerhand het enige tegenwicht dat Fransen en Britten nog op de Europese schaal kunnen leggen.

De Europese partners, Duitsland voorop, hebben met een zekere gelatenheid op de ontboezemingen op Chequers gereageerd. Maar zij ontkomen er op den duur niet aan hun standpunt te bepalen. De Franse drang om heel Europa te betrekken in althans de financiering van het nucleaire avontuur zal toenemen. En met het verstrekken van leningen, kredieten en know how ontstaat een betrokkenheid die consequenties heeft. In de eerste plaats voor de Atlantische verhoudingen. Want vroeg of laat zal de vraag worden gesteld hoe beheersbaar het Europese experiment in het wereldomvattende atomaire spanningsveld nog zal zijn.