Joods amusement herleeft

Voorstelling: Tip Top, met Jenny Arean, Joost Prinsen, Lucretia van der Vloot en Remco Vrijdag. Muziek: Martin van Dijk, Simon Planting en Wilma Thalen. Script: George Groot. Regie: Ruut Weissman. Gezien: 2/11 in de Kleine Komedie, Amsterdam. Aldaar t/m 5/11; tournee t/m 23/12.

Niet het joodse amusement van vóór de tweede wereldoorlog is tot eind deze maand het onderwerp van een tentoonstelling in het Joods Historisch Museum, want dat bestond in Amsterdam helemaal niet. Artiesten als Louis en Heintje Davids, Sylvain Poons en Max Tak waren sterren voor het hele Nederlandse volk en stonden er soms zelfs niet eens bij stil dat ze joods waren. Het gaat er daarentegen over het joodse aandeel in het Nederlandse amusement - en dat was groot. Pas na de oorlog ontstond hier typisch jiddisch cabaret (Max Tailleur, Li-La-Lo). De grote belangstelling bij niet-joden werd toen door sommige joden met gemengde gevoelens bekeken.

Al die nuanceringen zijn nu, beter dan op de tentoonstelling, verwerkt in de voorstelling Tip Top, die weliswaar is gemaakt in samenwerking met het Joods Historisch Museum, maar niet blijft steken in weemoed om wat voorbij is en nostalgie over het oude repertoire. Hier en daar is het geactualiseerd, en na de pauze zijn de meeste teksten naoorlogse reflecties op de oorlogstragiek - met een sardonisch kop-op-nummer van Ischa Meijer als passende tegenhanger.

De vier zangers-acteurs, naar eigen zeggen niet-joden, spelen een hedendaagse vriendenkring die hecht aan de joodse tradities - en dat is meteen het minst heldere, het meest gekunstelde aan Tip Top. Maar zodra ze hun ode aan het vooroorlogse amusement brengen en zich daarna verplaatsen in de naoorlogse nasleep, ontstaat er niettemin een sfeer van oprechtheid die in dit verband het allerbest als koosjer kan worden aangeduid. En dat de losse nummers toch één geheel vormen, komt mede door het in delen vertelde levensverhaal van de (fictieve) muzikant Ies Walvis, met fabelachtig inlevingsvermogen geschreven door George Groot en met even veel gevoel voor sprekende details gespeeld door Joost Prinsen.

Vóór de pauze trekken verder vooral Jenny Arean en de debuterende Remco Vrijdag de aandacht; zij met een hilarisch Jordanees begrafenisverslag en hij met een nieuwe versie van Goocheme Sallie. Na de pauze, als de sepia-gloed plaats heeft gemaakt voor koeler licht, maakt Lucretia van der Vloot in een handomdraai een joodse mop tot een Surinaamse, terwijl Jenny Arean kippevel opwekt in My Jiddische mamma en twee nieuwe teksten van George Groot: een vrouw die jaloers beziet hoe soldatenweduwen in Frankrijk naar het graf van hun man gaan, omdat haar ouders geen eigen graf hebben, en een vrouw die zich blijft schamen voor wat haar in het kamp is aangedaan. Gevieren vormen ze een hiërarchieloos ensemble zoals dat in het cabaret zelden meer te zien is. En ze worden door piano, viool en bas begeleid op een manier die ik graag gevoelig had genoemd, als dat woord niet zo klef geworden was.

Tip-Top emotioneerde me, door de zuiverheid en de opperste toewijding waarmee het programma is gemaakt, en om het gemis dat er ook op de vrolijkste momenten impliciet overheen hangt. De aan flarden getrokken foto van de Hollandse Schouwburg, die na de pauze de achtergrond van een paar nummers vormt, vloekt naar mijn smaak met de rest van de voorstelling, waarin die nadrukkelijke - en ook ietwat gratuite - symboliek nu juist zo weldadig ontbreekt.