Het subsidie-tekort van NDT

Het Nederlands Dans Theater verkeert in 'ernstige' financiële moeilijkheden. Een ramp. Het gaat om anderhalf miljoen gulden - een, zoals dat doorgaans heet, monumentaal pand aan de gracht, een zeewaardig jacht, drie gouden handdrukken, véél geld kortom. Zakelijk directeur Michael de Roo heeft het boetekleed al publiekelijk om de eigen schouders gehangen. Hij heeft zichzelf verweten zich 'te veel met andere zaken dan het zakelijk leiderschap' te hebben beziggehouden.

Het klinkt alsof hij zich heeft overgegeven aan veel zware lunches en andere tralala, maar bedacht moet worden dat De Roo drie functies bekleedt bij het NDT. Hij is directeur van het gezelschap, programmeur van het AT&T theater en, sinds vorig jaar, muzikaal directeur. Het zijn op zijn minst verzachtende omstandigheden, al is hij natuurlijk verantwoordelijk voor de taken die hij op zich heeft genomen.

Maar er zijn nog andere overwegingen die het begrotingstekort relativeren. Men zou in dit geval zelfs beter van een subsidie-tekort kunnen spreken. Vooropgesteld dat vergelijkingen altijd mank gaan, is het onthullend om de jaarcijfers (over 1994) van het andere grote dansgezelschap in Nederland, Het Nationale Ballet, en die van het NDT naast elkaar te leggen. Beide gezelschappen krijgen ongeveer evenveel geld van het rijk, het eerste ruim, het tweede net geen 7,5 miljoen. De tweede subsidiënt is de huisvestende gemeente. Amsterdam geeft HNB ruim 8,5 miljoen, Den Haag heeft voor het NDT 3 miljoen over. Het verschil tussen de twee totale subsidies bedraagt aldus bijna zes miljoen.

Op zichzelf zegt dat misschien nog weinig. Daarom nog enkele andere cijfers. Het Nationale Ballet (108.1 arbeidsplaatsen) had in 1994 4 miljoen eigen inkomsten, het NDT (101 arbeidsplaatsen) ruim 6 miljoen. Het laatste gezelschap genereert dus met 6 miljoen minder subsidie meer dan 2 miljoen eigen inkomsten dan het eerste. Dat is een enorm verschil.

Er zijn nog meer verschillen. Het vorige kalenderjaar had HNB 23 stukken op het repertoire en het NDT 35. Van de HNB-stukken waren er zes een wereldpremière, bij het NDT waren het er veertien. Die uiteenlopende aantallen hangen samen met nog een ander belangrijk verschil tussen beide gezelschappen. Het NDT onderhoudt van zijn veel geringere subsidie drie volwaardige, zelfstandig opererende groepen: NDT 1, het oorspronkelijke gezelschap, NDT 2, de juniorengroep, en NDT 3, de seniorengroep. Elk heeft een eigen artistieke leiding, onder de algemene leiding van Jirí Kylián, en een eigen repertoire.

Het gaat er hier niet om Het Nationale Ballet in diskrediet te brengen, wèl om aan te geven, dat het NDT indrukwekkende prestaties levert. Temeer daar het gezelschap van alle gesubsidieerde dansgroepen verreweg de meeste voorstellingen geeft in het buitenland - wat deels de ruime eigen inkomsten verklaart. In 1995 maakte de drie NDT's tournees naar de Verenigde Staten, Israel, Argentinië, Schotland, Griekenland, Engeland en Duitsland. Het Nationale Ballet trad 'slechts' op in België, Portugal en Spanje.

Het commerciële succes van het NDT zou onbelangrijk zijn, als de artistieke kwaliteit van het gezelschap te wensen zou overlaten. Maar ook op dit punt is het verhaal bijna onwaarschijnlijk. NDT 3 kan men nog een curiosum noemen, maar in technisch en programmatisch opzicht staan de beide andere NDT-groepen op een eenzaam, hoog niveau. Niet voor niets genieten beide een internationale faam die in ons land alleen maar vergelijkbaar is met die van het Concertgebouworkest.

Waar het op neer komt, is dat die anderhalf miljoen begrotingstekort een schamele grijpstuiver genoemd moet worden. De gemeente Den Haag moet die zonder morren en met excuses bijpassen en zou er bovendien goed aan doen de subsidiebijdrage per direct te verdubbelen. Dan zou zij zich er al iets minder voor hoeven schamen, dat zij veel te lang voor een dubbeltje op de eerste rij heeft gezeten.

Bron: Activiteitenverslag 1993 en 1994 en Voorstellings- en bezoekscijfers seizoen 1993/1994 van Directie Overleg Dansgezelschappen.