Het pulpvuiltje onder de punt van de pen; Bezwerende lyriek in nieuwe bundel van Kees Ouwens

Kees Ouwens: Afdankingen. Uitg. Meulenhoff, 80 blz. Prijs ƒ 19,90.

De poëzie van Kees Ouwens, en trouwens ook zijn proza, stelt ons in hoge mate voor de orakelkwestie. Wie is er eigenlijk aan het woord als een orakel spreekt? Spreekt het namens zichzelf, namens een of andere godheid of alleen maar bij de gratie van geestverruimende middelen - zwaveldampen bijvoorbeeld, zoals in Delphi, of bier, waarmee Ouwens volgens eigen zeggen de inspiratie op gang helpt. En, niet onbelangrijk: zijn er eigenlijk goede en slechte orakels of is dat sowieso een godslasterlijke vraag?

Alle poëzie wil wel enigszins orakelen. En alle grote dichters appelleren altijd wel aan iets metafysisch. Ook bij Faverey, Lucebert, Kouwenaar, Kopland en Nolens heeft de dichter een stap opzij gedaan om stem te geven aan iets anders, groters, algemeners, hogers dan hij zelf. Er wordt zelden in religieuze termen over gesproken, maar het schema doet wel religieus aan: met de dichter als middelaar tussen het aardse en het numineuze.

Dat is zeker het geval bij Ouwens, en zeker in zijn laatste bundel Afdankingen, waarin hij zich verder dan ooit van de 'normale' taal en de 'normale' poëzie verwijderd heeft. Het is, zoals altijd, fascinerendepoëzie, maar er valt, meer dan ooit, geen touw aan vast te knopen. Bijna alles wat aan poëzie zou kunnen herinneren is in zijn gedichten verdwenen. Traditionele ingrediënten als eindrijm, vaste versvorm of consistente beeldspraak zijn er niet. Er is ook geen verhaal of vertelling, geen ontwikkeling, geen pointe. Geen begin, geen einde, geen innerlijke noodzaak. Er is alleen maar taal, hoogst curieuze taal: woorden die even een zinsverband aannemen en dan weer, na een komma of na geen komma, een andere weg inslaan. Zelfs de betekenis staat hier op losse schroeven. Het is vaak maar de vraag of de woorden en zinnen bij Ouwens wel betekenen wat ze bij ons betekenen - en dan heb ik het nog niet eens over de talloze woorden die hier voor het eerst verschijnen.

Uiterst 'vrije' poëzie dus, en helemaal 'open', maar zoals dat wel vaker het geval is bij open poëzie: voor de lezer blijft zij meestal zo gesloten als een vastgeroeste deur. Oordelen is in zulke gevallen onzinnig. Het is maar het beste de zaak weg te leggen of te ondergaan, als een natuurverschijnsel: als een aanrollende zee bijvoorbeeld, waarvan je je ook niet afvraagt waarom zij vandaag het interval tussen de veertiende en de vijftiende golf zo lang moest laten duren.

Wie zich, zoals Ouwens, zo ver van de gebaande wegen af wil bewegen, komt in gebieden waar zich, behalve religie en chaos en waanzin, ook de absurde humor ophoudt. 'Moeilijke' dichters zijn vaak ook heel humoristische dichters. Bij Ouwens valt op elke bladzijde wel wat te lachen, zoals er op elke pagina ook wel een sublieme wending te bewonderen valt. Vaak vallen ze samen, en dat komt vermoedelijk omdat elke ontregeling van de normale taal en logica al gauw iets humoristisch heeft. 'Mijn naam is winfried, ik zelf heet anders' is nog maar een eenvoudig voorbeeld. In het hierbij afgedrukte gedicht wordt bijvoorbeeld een voltooiing hersticht: ik zou niet weten hoe dat zou moeten, maar ik lees het graag. Verder worden hier werktuigen geput uit louteringen, evenals 'de constellatie der hemelen en de conjunctie van tehuis en tij': prachtige regels, al weet ik niet wat ze betekenen. Dan wordt er tot slot in een bijzin nog wat gerekend: 'inhulling maal doorschemering maal te loor'. De uitkomst van deze opgave wordt ons onthouden, maar wie maalt er bij zulke mooie sommen nog om uitkomsten? Malen en blijven malen, dat is het geheim van deze poëzie.

Ouwens schrijft zuivere lyriek, en dan meer in het bijzonder de lyriek van de incantatie, de bezwerende toverspreuk. Alles werkt eraan mee om de betekenis uit te stellen: herhalingen, hernemingen, ellipsen, alliteraties, inversies, deelwoorden, oude en nieuwe vormen, in één doorgaande stroom zonder punten en hoofdletters, op het ritme en in een taal en tongval die nog het meest aan die van de bijbel (Job, Prediker) doen denken. De omstreek, de schulpmuur, een schijnwerping en verfoelied glas staan hier naast tal van andere neologismen, waarbij vooral de voorkeur voor in-woorden opvalt: inzelvig, inkennig, inbeddig, incellig, invormig en insplitsbaar, om er enkele te noemen.

In de taalmuziek en in de uiterst zintuiglijke omgang met de taal ligt volgens mij de grootste betekenis van deze bundel. Als er ook iets interpretatiefs over gezegd moet worden, dan zou de stijl er aanleiding toe moeten geven. Er valt wel iets voor te zeggen om de frequentie van het voorzetsel in op te vatten als een uiting van het implosieve karakter dat deze onderneming aankleeft. Afdankingen is, bij alle talige uitbundigheid, een poging tot inkeer, tot afdaling in de eigen hersenpan en de daarin borrelende taalsoep.

Zoals in veel werk van Ouwens valt ook in deze bundel met enige moeite nog wel de structuur van een tocht te herkennen. In de eerste twee afdelingen worden de voorbereidingen getroffen, al klinkt dat al weer veel doelgerichter dan het in de praktijk toegaat. Ouwens is het type aarzelaar dat zichzelf opdraagt 'laat hun weten dat je komt', om daarna te vervolgen met de instructie 'tref voorbereidingen voor een bericht dat je komst aankondigt'. En zo blijft hij lang, en erg hilarisch, talmen met het treffen van 'de toebereidselen tot je voorbereidselen'. En als hij dan eindelijk de pen op papier wil zetten wordt hij een gedicht lang in beslag genomen door het pulpvuiltje dat zich precies onder de punt van de pen bevindt.

Pas in de derde afdeling is het begin er, maar dan begint ook meteen de ontregeling: 'het begin is er maar is het ik het / zich laten ontbieden? dat de misoogst / van het u, is: ik?' Het is de eerste van een hele reeks vragen, paradoxen, tautologieën en waanzinnigheden die in de derde tot en met de achtste afdeling de reis door de duistere binnenwerelden vormen. Af en toe dringt iets herkenbaars door tot de oppervlakte (een bezoek aan een landgoed, een schaatstocht, het verwijderen van een gebroken filmrolletje), maar meestal gaat het om onnavolgbare taalkundige strapatzen: om eenzaamheid die gered wordt van vereenzaming, om verwijdering die zich begint te verwijderen, om wegen die de weg gewezen wordt of om aandacht die verdeeld is 'tussen je aandacht en dat wat je aandacht verdeelt'. Of de reis een doel heeft en of het doel bereikt wordt, zou ik niet durven zeggen. In ieder geval lijkt de dichter in de laatste gedichten weer bovengronds te komen. Want daar duiken ineens realistische gegevens op, zoals jaartallen (1989, 1991) en plaatsbepalingen (het dorp Z). Moderne vervoermiddelen als bus, schepen in een sluis, voetgangers, fietsers en wat auto's lijken zijn aankomst in de werkelijkheid te moeten bevestigen.

Er valt vast veel interessants over deze gedichten op te merken, door taalfilosofen bijvoorbeeld of andere kenners van het onkenbare - want dat hier het onkenbare en het onspreekbare verkend wordt, staat wel vast. Zelf heb ik vooral genoten, maar vraag mij niet van wat: van één lange ode aan het malen, het malen van de taalmolen, gelegen aan de maalstroom van de taalstroom. 'Hoe dan was wat / dan wie wanneer, of wie dan waar dan ook enig, of eerder / dan hem hoe dan ook alle getweeën (daar)?'

UIT: KEES OUWENS, AFDANKINGEN

brengend uw tijdperk terug tot uw fundatie, en uw

levensrijk, herstichtend uw voltooiing, voorkomt

uw vernietiging

en dat u, onbewerktuigd als een dier en plant, uw

werktuigen putte uit de louteringen, de constellatie

der hemelen en de conjunctie van tehuis en tij, zo

uw grondvesten, u oprichtend, uw voltooiingen uitstulpen

en uw vat overstelpen en uw overmaat opleggen als schatting

de gronden, hun leen, en zij, inhulling maal doorschemering

maal te loor, haar werktuigloosheid uit handen nemen de taken

en bekleden met toevloed