Elk dollarbiljet is een afscheidsbrief

John Self, de hoofdpersoon van Martin Amis' roman Geld, is verslaafd aan de twintigste eeuw. Geld is een wrange en doortrapte klucht. “De roman bevat niet alleen een stortvloed aan scherp geformuleerde verwensingen, maar raast en tiert en jankt en juicht en jent en ijlt en lalt, bralt en swingt.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Martin Amis: Geld. Uitg. Contact, 384 blz., vert. Guido Golüke, voor ƒ 9,95 bij de Slegte

Dat viel mee. Dieper dan de 'A' hoefde ik het 'Moderne Antiquariaat' - waar alle boeken, al zijn ze van nog zulke goede huize, en gros dakloos, ouwe vrijster, en bedelaar zijn geworden - niet in. Voor de schijn ben ik nog even omgelopen naar de 'B', maar toen ik het dellerige omslag vanaf de andere kant van het schap nat smakkende kusgeluiden naar me hoorde maken, was ik verkocht, en het boek ook, voor ƒ 9,95. Geen geld, Geen geld? Wél Geld! Money van Martin Amis is, sinds ik het een jaar of acht geleden voor het eerst las, steevast de eerste titel die ik noem wanneer iemand mij vraagt of ik misschien nog 'een leuk boek om te lezen' weet.

Waarom? Omdat het zo'n - en ik heb dit woord met zorg gekozen - krank-sin-núg boek is. En met 'krankzinnig' bedoel ik hier: onweerstaanbaar liederlijk en brutaal, malend, hilarisch, larmoyant, lucide, overstuurd en bezeten. Typeringen die ook stuk voor stuk van toepassing zijn op de held van Geld, of beter: de anti-held, John Self, die zichzelf ergens omschrijft als 'een slappe dikzak met een geest in vrije val en kentering, een loze opgezette voddenbaal die van troep, niks als troep aan elkaar hing'. Junkfood, seksbladen, fruitautomaten, scheldpartijen, drank, véél drank en masturbatie: dat zijn de voornaamste hobbies van John Self, en wat ze gemeen hebben is het element van de eenzame bevrediging, bevrediging van jezelf en John Self alleen.

Eenmaal verslaafd aan je eigen behoeften, is het enige dat je nodig hebt geld om je verslaving te kunnen betalen en geld is de grootste verslaving van allemaal; komt je uiteindelijk ook het duurste te staan. Elk briefje van honderd, elk dollarbiljet is in feite een suicide note, een 'afscheidsbrief van een zelfmoordenaar', zoals de ondertitel van Geld luidt.

Geld is een klucht, een wrange en doortrapte klucht, zoals, door de mondiale wisseltruc die het geld met ons uithaalt, het hele leven in de twintigste eeuw een wrange, doortrapte klucht is geworden. Wat niks kost, is niks waard. Om je te bescheuren, om te janken, om bang van te worden. Maar het is precies dié twintigste eeuw, waaraan John Self verslaafd is.

Wat is het verhaal? Gelokt door Het Grote Geld heeft John Self, die in Engeland een aantal even succesvolle als platvloerse tv-spotjes op zijn naam heeft staan, zich laten overhalen om in New York zijn eerste speelfilm te komen maken, die Goed Geld of, net zo vaak, Kwaad Geld, moet gaan heten. Tussen de partijtjes tennis met zijn aan geldpest lijdende producent en de lunches en diners met zijn elkaar voortdurend in de haren vliegende acteurs door, stroopt hij de topless-bars, pornowinkels en luxe-bordelen van Manhattan af, of drinkt zich een delirium in zijn hotelkamer, waar hij steeds telefoontjes krijgt van iemand die alles over hem weet en zegt binnenkort een hele grote appel met hem te zullen gaan schillen. Om in de gaten te houden hoe het ondertussen gesteld is met zijn zinderend sletterige vriendin Selina Street en zijn andere obsessie, de Fiasco, een automobiel, vliegt Self regelmatig heen en weer naar Londen, waar hij in een café Martin Amis ontmoet, een schrijver wiens latere bemoeienis met het scenario van de film even louterende als desastreuze gevolgen zal blijken te hebben.

Het verhaal is goed, spannend zelfs, maar waar het mij bij Geld vooral om gaat is de taal die Amis/Self uitslaat. 'Money talks', is een uitdrukking die Amerikanen wel gebruiken om de lokroep van het geld mee aan te duiden. 'Money doesn't talk, it swears', heet het in een song van Bob Dylan. Money van Martin Amis (die onlangs voor zijn nieuwe roman The Information het hoogste-voorschot-ooit-aan-een-schrijver-betaald kreeg) bevat niet alleen een stortvloed aan scherp geformuleerde verwensingen, maar raast en tiert en jankt en juicht en jent en ijlt en lalt, bralt en swingt, en dat alles met een brille die zo genadeloos fel is dat je het boek bijna alleen met een zonnebril op kunt lezen.

Ik doe een greep. John Self komt op handen en voeten van de plee gekropen als 'een bleke en diep berouwvolle krokodil'. Hij zit in een bar en wordt achter zich de 'chocolaterie van een vrouwelijke aanwezigheid' gewaar, spreekt over de 'demonologie van haar satijnen ondergoed'. Hij ziet in een automatenhal 'de proletarische spoken van de New Yorkse nacht, duisternisvereerders met doodsbange ogen, die er uitzien als mensvormige mutaties van mollen en vleermuizen, verslaafd aan de radar, het gezoem en het gewauwwauw van de gedrongen robots die met je spelen als je ze geld geeft.' Daglicht 'zwelt in de vorm van een zeil of een boezem bollend het vertrek in.' Mét geld is 'dubbelduizelend New York een kristallen serre. Zonder geld sta je naakt met je handen voor je janneman onder een lawine van verbrijzeld glas.' Om nog maar te zwijgen van alle flitsende inzichten over leven en dood, liefde en seks, arm en rijk, musea en vliegvelden, stadsjungles en huursmokings, pornografie en filmindustrie, die de revue passeren.

Amis laat John Self tijdens zijn blote dans om Het Gouden Kalf kankeren als Céline, als Saul Bellow cultuurfenomenen fileren en straatdichten als Bukowski. Aan het eind van het boek blijkt echter dat hij ook nog eens een uiterst geraffineerd, bijna sadistisch Nabokoviaans spel met hem heeft gespeeld. Het is hem niet genoeg dat John Self er ten slotte achterkomt dat hij, verblind door hebzucht en verdoofd door het pornografische geraas in zijn kop, zijn eigen ondergang heeft gefinancierd. Door hem steeds nadrukkelijker te confronteren met 'de schrijver Martin Amis' doet hij hem bovendien beseffen dat hij, Self, slechts een romanpersonage is, een dubbele joker: een pion niet alleen in het Grote Geldspel uit het verhaal, maar ook in het Kat-en-Muis Spel van de fictie, waarin alles doorgestoken kaart is.