Een passie voor zwarte mannen; Biografie van fotograaf Robert Mapplethorpe

Patricia Morrisroe: Mapplethorpe. A Biography. Uitg. Random House, 461 blz. Prijs fl. 49,25. Vert. Eric van Domburg Scipio. Uitg. Contact. Prijs fl. 79,90.

Een fors deel van haar biografie van de in 1989 overleden fotograaf Robert Mapplethorpe wijdt Patricia Morrisroe aan zijn hartsvriendin, het punkfenomeen Patti Smith. Niet alleen de innige vriendschap wordt tot in de details beschreven, maar ook de persoonlijke carriere van Smith. Men vraagt zich de eerste helft van het boek zelfs af om wiens levensverhaal het Morrisroe eigenlijk begonnen is. Het lijken in de eerste plaats de feiten te zijn, die de ambivalentie van de biografie uiteindelijk corrigeren. In 1977 valt de van nature al hyperactieve en bovendien nog onder invloed van drugs verkerende Smith van een podium en breekt zij haar nek. Drie kwakkelende jaren later trouwt ze in alle stilte, verlaat ze New York en trekt ze zich terug in Detroit. Pas vanaf dat moment heeft Mapplethorpe het rijk alleen in zijn biografie.

Dat komt goed uit want dan breekt ook de periode aan van zijn roemruchte bekendheid. Eindelijk komt er enig vlees aan de kluif: er is spraakmakend werk, dat behalve in Europa waar dat al eerder het geval was, ook in de VS begint aan te slaan, en een ten nauwste met dat werk vervlochten leven. Daarvoor heeft Morrisroe, die er overigens blijk van geeft gelukkig meer van feiten dan van bespiegelingen te houden, behalve tot Smith haar toevlucht moeten nemen tot speculaties over verbanden tussen het vroege werk en de persoonlijkheid van haar onderwerp. Ze wijst op zijn katholieke opvoeding, op de moeilijke verhouding met zijn norse vader, op de verwachtingen die deze heeft van zijn zoons, op de rijtjeshuiskleinburgelijkheid van Floral Park (Queens, New York) waarin Mapplethorpe opgroeit, op de ontberingen die de tengere jongeling moet ondergaan om deel uit te gaan maken van een militaire elite, de Pershing Rifles, en zijn worsteling met zijn homoseksualiteit.

Die bescheiden exegese bevat ongetwijfeld veel waarheid. Vast en zeker vinden de 'altaarstukken' die Mapplethorpe van zijn foto's maakte en het paarse fluweel waarmee hij ze wel flankeerde, hun oorsprong in de indrukken die een jong kind in de kerk opdoet. Zijn esthetische inzichten zijn er toe te herleiden: de symmetrie, de theatraliteit van de vormen, het spel van licht en donker en de lust tot verleiden en imponeren die eruit spreekt. Inhoudelijk is het niet anders, al ligt dat verband gezien het omstreden karakter van het werk minder voor de hand. Maar de soms letterlijk duivelse kanten - de zelfportretten van de fotograaf met een zweep in zijn kont of met horentjes op zijn hoofd - wijzen, ongeacht de bedoelingen, op een sterk bewustzijn van 'goed' en 'kwaad', van het helse en het hemelse.

Toch is dat maar een deel van het verhaal. Morrisroe gaat terecht uitgebreid in op het klimaat en de tijd - van grofweg 1979 tot 1989 - waarin Mapplethorpe roem verwierf. Het geschetste tijdsbeeld is een belangrijke verdienste van haar boek. Het waren de jaren van de pan uit rijzende bedragen die voor kunst werden neergeteld. De hysterie op de veiling ging gepaard met grote aandacht van kunstenaars voor hun carriere. Mapplethorpe was geen uitzondering. Met de hulp van de (invloed-)rijke oud-curator en verzamelaar Sam Wagstaff die op zoek was naar 'iemand om te verwennen' en in Mapplethorpe een gretige protege trof, werd zorgvuldig aan een imago gewerkt. Hij zat aan aan de juiste diners, met de juiste mensen, op de juiste momenten. Tentoonstellingen werden op maat van de locatie gesneden: 'uptown' kreeg de society- portretten en de bloemenfoto's te zien, 'downtown' de 'sex pictures'. Alle marktsegmenten werden op hun wenken bediend. Wagstaff, die verlegen zat om een hobby, begon intussen een van de uitgebreidste fotocollecties ter wereld aan te leggen en promoveerde fotografie aldus tot een serieuze kunstuiting.

Seks-experimenten

Behalve door opportunisme en networking werden de vroege, nog niet geheel door aids beheerste jaren tachtig bepaald door seksuele vrijheid en druggebruik. Mapplethorpe slikte sinds zijn tienerjaren de meest uiteenlopende geestverruimende middelen en seks was in zijn ogen 'the only thing worth living for'. Nadat hem eenmaal duidelijk geworden was dat hij zich tot mannen aangetrokken voelde, moest hij ze ook allemaal hebben. Hij experimenteerde volop met SM-seks - niet zozeer omdat die modieus was, maar wegens het letterlijk buiten-gewone ervan - en toen hij het hele veld verkend had, stortte hij zich met evenveel overgave op de zwarte man. Het was een, zo men wil, racistische passie: hij zag in de zwarte man onbedorven schoonheid en primitieve sensualiteit. En hij zei: 'Once you go black, you never go back.'

Het zou van niet meer dan anekdotisch belang zijn als Mapplethorpes werk niet zozeer bepaald was door zijn leven. Enerzijds kampt Morrisroe met een hoofdpersoon die, gezien zijn ideeenwereld, nauwelijks een biografie waard is. Mapplethorpe was geen intellectuele hoogvlieger die briljant op zijn eigen werk kon reflecteren. Hij was een sociaal handige en stilistisch zeer verdienstelijke fotograaf. Zijn leven is op zichzelf ook niet uitzonderlijk geweest, er waren (en zijn) er heel veel meer met een levensstijl die doorgaans decadent genoemd wordt.

De reden waarom het terecht en begrijpelijk is dat er een biografie is verschenen, schuilt in Mapplethorpe's eerlijkheid - die van hem een kunstenaar maakte. Hij gaf zijn hartstochten vorm, onbesmuikt en direct en, ondanks alle opportunisme en berekening, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen. Die superieure houding heeft in combinatie met zijn al dan niet katholieke gevoel voor vorm en stijl tot een uniek oeuvre geleid, dat verwart en schokt, maar tegelijkertijd oogstrelend is en daarom fascineert.

Hoogst merkwaardig overigens is de zojuist bij uitgeverij Contact verschenen Nederlandse vertaling (van Eric van Domburg Scipio) van de biografie. Steekproefsgewijze controle leert dat er hier en daar zinnen zijn weggelaten, 'Mapplethorpe' systematisch vervangen is door 'Robert'. Het naamregister is uitermatige gebrekkig overgenomen (zonder trefwoorden, en instellingen als musea en galeries zijn weggelaten, evenals een aantal personen) en het notenapparaat heeft hetzelfde lot ondergaan. Hoofdstuk 9 heeft bijvoorbeeld in het origineel 18 noten en in de vertaling slechts 5. Door commerciele overwegingen ingegeven haast en gemakzucht hebben vertaler en uitgever tot een soort auteursrechtelijke diefstal gedreven; zelfs als die op een afspraak met de auteur zou berusten, wordt de lezer misleid en is hun handelen van een vergaande brutaliteit.

PIETER KOTTMAN