Een museum waaraan je je niet kunt snijden; Het nieuwe Cobramuseum in Amstelveen van Wim Quist

Architecht Wim Quist ontwierp het Cobramuseum dat op 8 november wordt geopend. Een goed bouwwerk moet een overtuigende, natuurlijke, vanzelfsprekende vorm hebben, vindt hij. Maar het nieuwe museum in Amstelveen daagt de bezoeker ter plekke uit om varianten op het gebouw te bedenken.

Cobra Museum voor Moderne Kunst, Sandbergplein 1. De Taal van Cobra: 11 nov. t/m 14 jan. Di t/m zo 11-17u.

Veel Nederlandse steden en stadjes staan bekend om de lelijkheid van hun randen en sommige zijn berucht om de onaantrekkelijkheid van hun hart. Tilburg is een treffend voorbeeld van het laatste soort en het centrum van Leeuwarden heeft ook een indrukwekkend beroerde reputatie. Maar laat de naam Amstelveen vallen in een gezelschap van kritische architecten en het afkeurend geloei is niet van de lucht.

De vraag is of Amstelveen wel over een hart beschikt. Het antwoord is nee. Amstelveen heeft zeker geen centrum in de klassieke betekenis. In dit met veel ruimte, groen en functionalistische pretentie aangelegde woonoord ontbreekt een duidelijk stedelijk middelpunt. Noodgedwongen is wel een plek ontstaan die door het publiek als een soort centrum wordt ervaren. Hier is de markt te vinden in de vorm van warenhuizen en winkelpromenades. Het politiebureau is er gevestigd in een nors, gesloten en vandalismebestendige bunker met een verzameling antennes en schotels op het platte dak. De moderne georganiseerde leegte van het Centrale Busstation - achthonderd aankomende en vertrekkende bussen per dag - is er sinds kort verrezen met een dominant high-tech vormgegeven parkeergarage in een paar lagen daarbovenop. En uitgestrekte parkeerterreinen verleiden de omwonende autobezitters om in deze consumentistische magneet een aanlokkelijk centrum te zien.

Ter bevestiging van dit alles komt de belangrijke tramrailverbinding met de grote stad Amsterdam op het centrale punt in Amstelveen dramatisch tot stilstand. Een kinderachtig emplacement met twee doodlopende sporen, een paar verhoogde perrons met abri's en een bescheiden lokaaltje voor het wagenvoerend personeel moeten het eindpunt voorstellen. De twee stootblokken die de sneltram in geval van nood moeten opvangen, zijn aan drie kanten met een middelhoog plantsoenhek omgeven zodat een gebiedje is ontstaan dat zich praktisch aan het instrumentarium van de reinigingsdienst onttrekt. De stootblokken zijn afkomstig uit een ver verleden en zo, afgeperkt en gebed in zwerfvuil en oude blikjes, hoort dit stazione termini regelrecht thuis in een derde wereldland.

Wie in Amstelveen de wandeling van dit punt naar het volgende week te openen Cobramuseum onderneemt, passeert niet alleen toppunten van architectonische en stedebouwkundige misère uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, maar ook, bij wijze van toegift, een formidabele culturele surprise. Tegenover de vestiging van Vroom & Dreesmann staat een monochroom donkergrijs, huizenhoog beeld van een revolutionaire vrijheidsstrijder op een manshoge sokkel. Zijn broek is in reusachtige laarzen gestoken en rond tors en middel zijn riemen vol mitrailleurpatronen gebonden. Het hoofd, met een lange haarlok tot bijna tussen de ogen, is heldhaftig geheven. In verwarring gebracht door het formaat en de fel realistische uitvoering heb ik, ongelogen, een moment gedacht dat uitgerekend Amstelveen een standbeeld had opgericht voor de romantische oersoldaat van de verloren gegane wereldrevolutie. Soms gebeuren dingen die door een geheimzinnige samenloop van omstandigheden lange tijd voor de buitenwereld verborgen blijven.

Ik haast me naar de machtige sokkel waarop een plaatje met opschrift was geschroefd. Het voetstuk bleek van triplex, maar wel kunstig gemarmerd met donkergroene aderen. Een standbeeld van Michael Jackson had mij van mijn apropos gebracht.

Blinde muur

Bij een bloemenstal aan de enorme voeten van de wereldberoemde popster vroeg ik de weg naar het nieuwe museum. De door mij aangesproken vrouw liet zich spontaan “...dat vreselijke ding?” ontvallen. Vooral de eindeloze blinde muur van rode baksteen vond in haar ogen geen genade en op het gebied van gebouwen was zij toch heel wat gewend: zij woonde de helft van het jaar in Florida. Haar feilloze richting-uitleg besloot zij met: “...en dan ziet u vanzelf die muur. Het kan niet missen.”

De door haar aangegeven weg klopte precies, maar aangekomen op de chaotische vlakte die het nieuwe museum als voorplein dient, bleef de beloofde eindeloze blinde muur uit het zicht. Een in het midden gehoekte gevel van rode baksteen, dat wel, keek mij beslist niet blind aan. De voorkant van het museum is op de begane grondverdieping grotendeels met glas opengemaakt. Hogerop heeft de voorgevel nog een paar elegante raamstroken. Komende uit de richting van Michael Jackson was de gewraakte blinde muur niet te zien, althans niet voor mij. Maar de vrouw die mij de weg had gewezen en in haar verbeelding even met mij meeliep, zag die blinde muur wel degelijk toen zij met mij op het wanordelijke plein was aangekomen. De beeldkracht van de eindeloze blinde zijmuur was in haar hoofd kennelijk zo overweldigend dat de herinnering aan de rest van het museumgebouw erdoor werd vernietigd.

In het omvangrijke oeuvre van de architect van het Amstelveense Cobramuseum, Wim Quist (Amsterdam, 1930), is de radicaal gesloten gevel niet iets bijzonders. Samen met de letterlijke kleurloosheid van zijn werk - zijn voorkeur gaat uit naar wit, grijs en zwart - en zijn liefde voor zware, geometrische vormen en volumes zijn de blinde vlakken van Quist verantwoordelijk voor het weinig frivole, soms zelfs deprimerende karakter van zijn bouwkunst. De uiterlijk en innerlijk weinig opgewekte Rotterdamse Schouwburg (1986) met de veel gesmade dichte voorgevel - de 'Kist van Quist' - wordt opvallend vaak opgevat als een kil, overtuigend symbool van de onmacht van de Rotterdammer om zich werkelijk door de kunst te laten bevliegen. Liefhebbers van het werk van Quist zien in zijn sobere Kist juist een hoogtepunt van zijn oeuvre, ondanks, of misschien wel, dankzij het 'uitgewrongen budget'. Hoogleraar bouwkunstgeschiedenis Auke van der Woud schreef over de Rotterdamse Schouwburg in zijn boek Wim Quist (Uitgeverij 010, 1989): 'De zeggingskracht van het gebouw is bereikt met een minimum aan architectonische middelen. Een neveneffect is de concentratie op de schoonheid van de soberste bouwmaterialen; de hoge kolommen in de foyer zijn verzadigd van precisie, nuance, elementaire kracht en ze zijn mooi als middeleeuwse bundelpijlers. De grote zaal doet denken aan het interieur van het Bauhaus. Hier wordt volmaakt duidelijk dat er nog steeds een vitale traditie is waarin pluche, lovertjes en kroonluchters niet alleen worden afgewezen omdat er geen geld voor is, maar vooral en principieel omdat ze een achterhaalde illusie van beschaving vormen.'

De vaart in elk debat, en zeker in het debat over architectuur bestaat bij de gratie van de overdrijving. Alsof er niets bestaat tussen een kale betonnen kolom en een met pluche beklede theaterstoel - een combinatie die in deze tolerante tijd trouwens een schone, liefdevolle toekomst kan hebben. Het gevecht tussen warm en koud, tussen aandoenlijk en onaandoenlijk, tussen gevoelig en ongevoelig, wordt in de architectuur van Quist onophoudelijk gevoerd, zowel binnen één creatie als tussen zijn bouwwerken onderling.

In de duinen

De J.P. Morgan Bank (1990) aan de Apollolaan in Amsterdam, schuin tegenover het Hilton Hotel en de kwetsbare schoolgebouwtjes van Herman Hertzberger, is een voorbeeld van een Quist-gebouw dat zich niet schijnbaar, maar werkelijk in zijn totaliteit in een ontzagwekkende blinde gevel heeft teruggetrokken. In het oorspronkelijk ontwerp had Quist de voorgevel van glas gemaakt, een transparante wand om het centrale trappenhuis gevouwen. Maar de Amerikaanse opdrachtgever vond dit om veiligheidsredenen onaanvaardbaar en de architect deed een wonderlijke ingreep in zijn eigen schepping: het glas veranderde hij in baksteen. Indertijd heb ik aan de Morganbank in deze krant een stukje gewijd (januari 1991) 'De norse, ijselijk grijsbetegelde gevel - want meer is het gebouw eigenlijk niet - toont geen enkel mededogen met het intrieste plantsoenplein en de gebouwen eromheen. De gevel mist elk zintuiglijk vermogen. Elke vorm van kijken of praten, van ruiken, voelen, of luisteren is uitgesloten. Hoewel juist een hoekgebouw zich naar de verschillende kanten moet kunnen wenden en neigen, is deze verschijning van Quist niet tot bewegen in staat. Het bouwwerk is onaandoenlijk en gevoelloos en dat telt zwaar in een omgeving die aanvankelijk is ontworpen als 'monumentaal in aanleg en schilderachtig in detail', zoals H.P. Berlage zijn uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid in 1917 karakteriseerde.'

Even daargelaten dat ik sinds de bomen van prinses Irene, gebouwen voor geen goud meer zou willen laten praten, herinner ik mij dat ik oprecht een beetje kwaad was toen ik deze woorden schreef. Het bankgebouw had mij verontwaardigd, het was zo arrogant, zo onvriendelijk. Nu, vier jaar later loop ik er niet meer langs met een demonstratief afgewend hoofd. Niet alleen omdat je niet eeuwig op iets of iemand kwaad kunt blijven, maar ook omdat Wim Quist in Scheveningen het museum 'Beelden aan zee' heeft gebouwd. Dit in de duinen onder en rond het neoclassicistische paviljoen Von Wied (1826) uitgegraven beeldenmuseum dat voor de helft bestaat uit terrassen in de openlucht, bezit zoveel esprit en zo'n natuurlijke gratie en schoonheid dat het geheel in haar eentje in staat is alle architectonische rampspoed in Scheveningen evenredig tegenwicht te bieden. Iedereen die recent in deze badplaats is geweest zal moeten toegeven dat hiervoor een bijna bovenmenselijke kracht is vereist. 'Beelden aan zee' is zelfs zo mooi - wat bij zijn andere gebouwen norsheid is, is hier stilte - dat het mijn blik op het oeuvre van Wim Quist heeft veranderd, onderzoekender heeft gemaakt. De ontdekking dat het Scheveningse beeldenmuseum een bouwwerk is zonder één buitengevel was daarbij zeker behulpzaam.

Driehoeken

Het Cobramuseum in Amstelveen is een vrijstaand gebouw wat betekent dat het beschikt over vier buitengevels. Alle vier zijn het typische Quist-gevels en dat is een teleurstelling omdat zij zo bekend zijn. De gevels voorkomen dat de uiterlijke verschijning van het gebouw een verrassing is. Ook de ruimtelijke compositie die de stand van de gevels bepaalt, is vertrouwd. Driehoeken worden graag gebruikt als plattegrond in de museumarchitectuur en Quist zelf heeft deze jonge traditie helpen vestigen met het Maritiem Museum Prins Hendrik (Rotterdam, 1986). De parade van museumgebouwen met stenen gevelhoeken die zo scherp zijn dat je gevaar loopt voor je het weet in twee helften uiteen te vallen als je er ruggelings tegenaan leunt, werd geopend met de East Wing (1978) van de National Gallery in Washington ontworpen door de Amerikaans-Chinese architect I.M. Pei. De marmeren hoeken van deze schitterende vleugel zijn onberispelijk afgewerkt en daardoor levensgevaarlijk. Het gebouw heeft de meest ongenaakbare blinde gevels ter wereld. Het Cobramuseum kent ook twee scherpe hoeken maar door de grove afwerking lukt het niet je eraan te snijden. En de gewraakte blinde muur komt helaas niet in aanmerking voor de verzameling mooiste blinde gevels ter wereld, want daarvoor heeft de rode baksteen te weinig kleur en te weinig karakter. Hoe komt het toch dat de Italianen, dat Grassi en Rossi erin slagen om blinde baksteenmuren te maken die door de uitgekiende kleur en het superieure metselwerk steevast toonbeelden van schoonheid worden? Niemand zal op het idee komen om over een blinde muur van deze architecten te spreken als 'vreselijk', zoals de vrouw deed die mij de weg naar de muur van Quist wees. Nee, de Italianen verstaan de kunst om raadselachtige baksteenvlakken te scheppen waarin iets van de eeuwigheid verborgen gaat.

Om aan te geven welke mentaliteit van een goed gebouw verwacht mag worden heeft Wim Quist eens - het was naar aanleiding van zijn ontwerp voor het Waterwinbedrijf Petrusplaat (1969-1974) - een uitspraak van de beeldhouwer Philip King te hulp geroepen. Auke van der Woud refereert er aan in zijn boek. Een kunst- of bouwwerk moet niet laten zien dat het van Mars komt, evenmin dat het bedacht is, maar dat het noodzakelijkerwijs moet bestaan in de vorm die het heeft. De bouwwerken die Quist in het begin van zijn architectuurloopbaan, vanaf 1959, voor de Rotterdamse drinkwaterbedrijven heeft ontworpen zijn indrukwekkende voorbeelden van de in alle opzichten enig juiste vorm voor het beoogde doel. En ook het Scheveningse beeldenmuseum doet langs dezelfde weg een gooi naar de volmaaktheid. Maar het Cobramuseum daagt de bezoeker ter plekke uit om varianten op het gebouw te bedenken, zo heb ik ervaren. Het wil zeggen dat de enige, natuurlijke en vanzelfsprekende vorm voor dit specifieke museum niet overtuigend is bereikt. Het is een te gewoon, te routineus Quist-gebouw geworden dat zal uitnodigen tot routineus ingerichte tentoonstellingen in de Ballast Nedam Zaal op de begane grond en in de Philip Morris Zaal op de verdieping.

Het enige werkelijk unieke aspect van het Cobramuseum is het uitzicht. De gehoekte voorkant, met het entree, de Cobra-galerie, de onvermijdelijke shop, het café-restaurant en een gehoorzaal kijkt uit op een verkeersvlakte, een stukje heuse grote weg, het Centrale Busstation en nog andere onduidelijke fragmenten van het Amstelveense grootstedelijke leven. Het voorplein heet nu nog volstrekt toepasselijk Plein 1960, maar de naam zal na de opening van het museum veranderen in Sandbergplein, naar de legendarische directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, Willem Sandberg die in 1948 met een eerste grote tentoonstelling Cobra heeft geopenbaard. Het nieuwe stadshart dat met veel stedebouwkundige, architectonische en projectontwikkelende ambitie voor Amstelveen in de maak is, moet straks hier een middelpunt krijgen. Je ziet Sandberg al heel kritisch kijken, van onder zijn wenkbrauwen.

De eveneens gehoekte achterzijde van het museumgebouw - met een sobere kolommengalerij nog de meest bijzondere gevel - ligt met een betonnen voet in het water van de Singel en geeft ruimschoots zicht op bomen, eenden en groen struikgewas. Voorkant en achterkant bieden twee unieke beelden die het dualistische karakter van Amstelveen in één klap duidelijk maken en straks in gezonde concurrentie zullen treden met de kunst van Appel, Corneille, Lucebert, Brands, Constant, Jorn, Alechinsky en met de Zentuin van Shinkichi Tajiri in de ronde patio die helaas net niet echt rond is.

De 'ramen Cobramuseum Amstelveen' zijn bijgevoegd in mijn verzameling museumuitzichten waarin Quist al met twee ramen is vertegenwoordigd: het raam in de beeldenzaal van de door hem ontworpen uitbreiding van Rijksmuseum Kröller-Müller (1970-1977) waardoor de Hoge Veluwe onstuitbaar binnentreedt en het magistrale, horizontale raam van 'Beelden aan zee' in Scheveningen. Dit laatste behoort tot een van de aangrijpendste uitzichten van de collectie: een streep zand, een streep tere groene helm, een streep zee en verder lucht. De enige verticale streep komt van een lantaarnpaal. Het is ook het enige raam uit mijn verzameling, dat afkomstig is uit een bouwwerk zonder gevels.