Echt stuifzand; Milieufilosofen over de mens als vijand van de aarde

Het oerlandschap, zonder mensen, is het model geworden voor het Nederlands milieubeleid. Milieufilosofen zetten vraagtekens bij dit beleid, gebaseerd op ecologische mensenhaat: 'Zorgvuldige planning, houtkap en nieuwe aanplant - wat is daar voor natuurlijks aan?'

Wim Zweers: Participeren aan de natuur. Uitg Jan van Arkel, 528 blz., ƒ49,50; Wouter Achterberg: Samenleving, natuur en duurzaamheid. Uitg. Van Gorcum, 229 blz., ƒ49,90; Jozef Keulartz: Strijd om de natuur. Uitg. Boom, 212 blz., ƒ36,50.

In november 1994 kapte Staatsbosbeheer een bijna honderd jaar oud bos op de grens tussen Friesland en Drenthe. Op de vrijgekomen plek zou een gebied voor stuifzand moeten komen, zoals dat er volgens ecologen ooit gelegen had. Het bos, hoe eerbiedwaardig ook, was mensenwerk: namaak die weinig met 'natuur' van doen had. Dat meenden althans de natuurontwikkelaars die het stuifzandplan bedachten.

Ecologen hebben zich voorgesteld hoe Nederland er zou hebben uitgezien wanneer de mens niet verschenen was. Het zou een land geweest zijn van moerassen, bevers, elanden, wisenten en roofdieren. Dat landschap is het model geworden voor het nieuwe natuurbeleid in Nederland. De mens komt er niet in voor, of hoogstens - zo zegt een studie van het Ministerie van Landbouw en Visserij - 'als jager, verzamelaar en aaseter'.

Maar, zo vraagt de Wageningse filosoof Jozef Keulartz zich in zijn onlangs verschenen boek Strijd om de natuur af, waarom moeten we eigenlijk terug naar de oertijd om over 'natuur' te mogen spreken? Waarom mogen mensen daarin niet voorkomen? Het ministerieel beleid is om meer dan één reden paradoxaal. Het vervangt oude natuur door nieuwe, met de pretentie nóg oudere natuur te herstellen. En tegelijk sluit het de mens daar radicaal van uit, terwijl het de ecologische beweging er nu juist om ging mens en natuur weer dichter tot elkaar te brengen. Ze kunnen niet zonder elkaar: daarvan moesten alle sectoren van de maatschappij worden doordrongen. In de loop van de moderne geschiedenis had dat besef nogal wat averij opgelopen. Grondstoffen, wouden, water en lucht werden beschouwd als de brandstof van een industriële economie die zichzelf geen beperkingen oplegde. De natuur was er hoogstens voor verpozing (en zelfs dat nog sinds vrij kort), maar respect leek haar nauwelijks beschoren.

De mens is de afgelopen eeuwen dan ook niet erg vriendelijk met de natuur omgesprongen. Dat heeft een aantal radicale milieu-denkers ervan overtuigd dat de kloof onoverbrugbaar is geworden. Volgens hen is de mens de onverbeterlijke erfvijand van de aarde. Het leven daar heeft pas weer een toekomst wanneer het met zijn opperheerschappij, ja zelfs met zijn bestaan, is afgelopen.

Die ecologische mensenhaat ligt volgens Keulartz ook ten grondslag aan het nieuwe Nederlandse natuurbeleid. Hij zoekt de oorzaak van dat radicalisme bij de milieufilosofie, een van de jongste takken aan de filosofische boom. De oorsprong ligt in de Angelsaksische wereld; de Amsterdamse filosofen Wim Zweers en Wouter Achterberg behoorden vijftien jaar geleden tot de Nederlandse pioniers ervan.

Beiden hebben de afgelopen maanden in een boek de balans opgemaakt van de achterliggende periode. Achterberg schreef een inleidend leerboek en Zweers ontvouwde een lijvig 'ontwerp voor een ecologisering van het wereldbeeld', zoals de ondertitel van zijn boek Participeren aan de natuur luidt. Wie hun boeken leest, merkt dat het met het radicalisme van de Nederlandse milieufilosofen wel meevalt. In verschillende toonaarden benadrukken zij dat ze niet tegen de techniek zijn, niet de rede opzij willen zetten en al helemaal geen weg-met-ons filosofie willen bedrijven. Alleen: we hoeven ons niet uit te leveren aan de techniek, we mogen de rede niet beperken tot een rekensom en we moeten beseffen dat we niet het enige levende wezen op aarde zijn dat er toe doet.

Zweers' lijvige ontwerp is van de twee het meest interessant, omdat het de hoofdlijnen uitzet van een volledige wereldbeschouwing op ecologische grondslag. Zorgvuldig kiest hij positie. De radicale ecologen hebben evenmin zijn sympathie als zij die menen dat de hele wereld aan de mens ondergeschikt is. Hij pleit voor een 'participatie van de mens aan de natuur', waarbij de eigen waarde van de natuur, die meer is dan alleen de gebruikswaarde voor de mens, uitdrukkelijk wordt erkend.

Het zeer persoonlijk geschreven boek beperkt zich niet tot een filosofisch betoog. Biografische notities - de mooiste bladzijden - maken duidelijk wat Zweers bedoelt wanneer hij spreekt over de verwevenheid van geest en lichaam en 'participatie aan de natuur'. Die verwevenheid wordt bijvoorbeeld gevoeld door de bergbeklimmer (Zweers is alpinist), die zich niet langer een veroveraar maar een onderdeel van het rotslandschap voelt en daarin een diep levensgeluk ervaart. De vraag of de natuur een intrinsieke waarde heeft, is binnen de milieufilosofie nog altijd een omstreden kwestie. De natuur zelf heeft geen besef van waarden of normen, voeren de tegenstanders aan. Die moet je daarin dus ook niet projecteren als iets dat los van de mens zou bestaan.

Zweers geeft toe dat die waarden alleen maar door de mens kunnen worden onderkend. Maar daarmee is nog niet gezegd dat ze van onze beslissing afhangen.

Hoe waardevol wij de natuur vinden omwille van haarzelf, spreekt uit een schrikbeeld van de toekomst: een 'ruimteschip Aarde' waarop een geavanceerde bio-technologie in alle behoeften voorziet, maar waar de natuur verdwenen is. De mensheid mag daarmee dan overleven, maar erg gelukkig zou ze niet zijn. Een wereld die gereduceerd is tot louter menselijk maaksel is een zinloze wereld. Wie alleen maar zichzelf en zijn eigen voortbrengsels tegenkomt, sterft tenslotte van verveling en afkeer.

De milieufilosofie staat niet alleen in die mening. Ook bij anderen groeit de opvatting dat een zinvol menselijk leven is aangewezen op iets dat het zelf niet in de hand heeft en niet kan maken. Wat ons leven vervult ervaren we als iets dat ons gegeven wordt, zelfs wanneer we het zelf hebben voortgebracht. Een kunstenaar spreekt van inspiratie; ouders 'maken' geen kind, maar krijgen het; een rijk leven wordt niet gepland, maar wordt geschonken. Reduceren we dat geschenk tot iets van onszelf, dan verliest ons leven de glans die het daarvan ontvangt. Dat idee spreekt in de recente geschiedenis niet vanzelf. Integendeel, sinds het begin van de moderne tijd geldt maakbaarheid als een groot goed. Wat we kunnen maken kunnen we ook begrijpen, schreven de zeventiende-eeuwse filosofen in het voetspoor van Descartes. En kennis bevrijdt ons uit de duisterheid van geloof, mysterie en domme gewoonte. Menselijke emancipatie begint met kennen en kunnen.

Daarin hadden ze gelijk, maar - zo bleek enkele eeuwen later - aan dat gelijk zat wel een grens. In de zeventiende eeuw was die grens, alle emancipatie ten spijt, nog onomstreden: God stelde paal en perk aan wat kon en mocht. Maar toen God verdween, viel elke limiet weg. De wereld werd de grondstof voor de menselijke creativiteit en zij stond daaraan onbeperkt ter beschikking.

Maar waar elke maat vergeten werd, konden de rampen niet uitblijven. Als deze eeuw iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat de menselijke mogelijkheden beperkt zijn en dat men de grenzen daarvan niet straffeloos overschrijdt. Dat geldt niet alleen op ecologisch, maar ook op politiek gebied. De crisis van de maakbare samenleving wortelt in dezelfde hoogmoed als die van de maakbare natuur. Mensen kunnen niet alles en mogen niet alles en dat inzicht noopt tot filosofische bescheidenheid.

Zo zou de erkenning van de waarde van de natuur moeten uitmonden in de cultuuromslag, waarom het Zweers uiteindelijk te doen is. Menige eco-filosoof meent zo lang niet te kunnen wachten. Sommigen hebben al geroepen om een 'verlichte dictatuur' op ecologische grondslag. Ook in Nederland vraagt Zweers' collega Wouter Achterberg zich aan het eind van zijn boek Samenleving, natuur en duurzaamheid moedeloos af of de liberale democratie wel tegen het milieuvraagstuk is opgewassen.

Juist deze twijfel wekt de woede van Keulartz in zijn kritische beschouwing van de milieufilosofie. Hij merkt op dat het vreemd is hoe hard deze denkers roepen om rigoureus overheidsingrijpen, terwijl zij tegelijk zoveel kritiek hebben op de moderne mens en zijn technische regelzucht. Hun haast is koren op de molen van de 'natuurontwikkelaars'. Zij vergeten dat beleid nooit direct uit (milieu-)wetenschappelijke gegevens kan worden afgeleid, maar altijd een zaak is van afweging en keuzen. Niet deskundigen, maar alleen openbare debatten kunnen uitmaken waar het met de samenleving naar toe moet.

Achterberg erkent de zinloosheid van een dwangbeleid, zij het om pragmatischer redenen. Elke politiek is gedoemd te falen, wanneer ze niet door een breed publiek bewustzijn wordt gedragen. Maar als iedereen van de ernst van een milieupolitiek doordrongen is, is ook een dwangbeleid niet meer nodig. De samenleving zou zichzelf als de baron van Münchhausen uit het ecologisch moeras omhoog moeten trekken. In feite blijft ze volgens Achterberg gevangen in een vicieuze cirkel van politiek onvermogen en maatschappelijke onwil. 'Ruim twintig jaar van pogingen met een serieus milieubeleid te beginnen stemmen niet echt hoopvol.'

Zijn moedeloosheid kenmerkt veel milieuactivisten en ze is begrijpelijk. Voor wie niet ophoudt er op te wijzen dat het al bijna te laat is gaat elke ontwikkeling te langzaam die niet tot onmiddellijke resultaten leidt.

De verleiding de geschiedenis te forceren wordt dan groot: desnoods met dwang en tegen de regels van prudent bestuur in. Terecht is dat pessimisme niet. Als de cultuuromslag die de milieufilosofen nastreven werkelijk zo'n radicale breuk met het verleden betekent, dan is er in de afgelopen vijfentwintig jaar verbazingwekkend veel veranderd. Het woord 'milieu' ligt dagelijks op ieders lippen; vóór het geruchtmakende rapport van de Club van Rome in 1972 wist nauwelijks iemand wat het betekende. De pogingen om die bezorgdheid in daden om te zetten mogen dan onbeholpen en lang niet altijd effectief zijn, milieubesef is er wel degelijk en beperkt zich niet tot louter woorden. Als bij dat besef de ecologisering van het wereldbeeld begint, dan mogen de milieufilosofen hun zegeningen tellen.