Der kleine Lenin

Lettre International 30, 114 blz. Prijs DM 15. Rosenthalerstrasse 13, D-10119 Berlijn

Bijna een op de drie medewerkers aan het herfstnummer van Lettre International heeft een filosofische achtergrond. Ze zullen er niet op zijn uitgezocht, maar het zegt wel iets over het karakter van dit Duitstalige kwartaalblad. Het is een wonderbaarlijke mengeling van oude Europese kwaliteiten en een streven naar actualiteit in kunst en politiek. Een mengeling ook van Europese traditie en nieuwsgierigheid naar verre landen. Maar niet alle: Amerika valt volledig buiten het blikveld.

Oprichter Antonin Liehm, een Tsjechische journalist die in 1968 naar Parijs vluchtte, begon tien jaar geleden met een Franstalige Lettre Internationale, dat in vele talen behalve de Engelse aparte edities kreeg. In tal van Europese hoofdsteden maakten redacties, onder toeziend oog van Liehm, eigen Internationale Brieven. De Franse versie ging verleden jaar door financieel wanbeleid ter ziele, maar de Duitse floreert met een oplage van vijftienduizend exemplaren. De Fransen moeten het nu doen met een kleiner Bulletin de Lettre Internationale met vertalingen uit de andere edities, om tenminste de geest van de Lettre levend te houden.

In het Duitse herfstnummer staat de blufgrage avonturier Redmond O'Hanlon doodleuk naast architect-filosoof ('Dromologe') Paul Virilio; een stuk van cultuurfilosoof Dora Cosic over Karl Popper in Sarajevo naast een verhaal van Jeanette Winterson over zigeuners; Zes moeilijke artikelen over discutabele vooruitgang in de wetenschap naast een kritische analyse van de Benetton-reclamecampagne.

Je moet er even voor gaan zitten, maar met Lettre International kun je je onmogelijk vervelen. Een fikse belangstelling voor de Midden-Europese cultuur is min of meer een vereiste, want daar ligt in elke editie van Lettre International het zwaartepunt.

Even lang als boeiend is het uitvoerige stuk van filosoof/schrijver en zigeunerexpert Rajko Djuric over de Servische president Miloševic, 'der kleine Lenin', of 'der zweite Tito'. Uit zijn inmiddels uit de verkoop genomen Verzamelde toespraken (1989) leidt Djuric af dat de Servische leider onder zijn rode masker van communist zijn bruine filosofie lang maar niet goed verborg. Steeds weer gebruikte sleutelwoorden in Miloševic' 'Servische nazisme' zijn 'homogenisering', 'eenheid', 'mobilisering' en 'strijd tegen pessimisme, defaitisme, angst, hulpeloosheid, en tegen inferioriteit'. Hij injecteerde zijn volk met haat die het bloed deed koken, maar daarbij ging hij uiterst zorgvuldig te werk. 'Wat het Westen zo onberekenbaar leek, een uitbarsting van atavistische driften, was in feite koele berekening.'

Djuric' portret van de jonge Miloševic leest als een psychologische analyse van een ordinaire crimineel - al op de basisschool droeg de kleine Slobodan een streng donker pak met een wit overhemd en een stropdas; als hij lachte was dat altijd meer uit beleefdheid dan van pret; onder alle omstandigheden gedroeg hij zich strak gedisciplineerd; en zowel zijn moeder als zijn vader en zijn broer pleegden zelfmoord, wat mogelijk in hem de behoefte kweekte zelf een 'symbolische vader' te worden.

Bora Cosic, net als Djuric uitgeweken naar Berlijn, is veel minder koel in zijn woedeuitbarsting over het recente verschijnen van Poppers werk in Sarajevo. Hegel zou beter hebben gepast in dit 'totaal afilosofische land', met zijn vergoelijking van oorlog. Mijn moederland leeft 'in wilder Liebschaft' met een moordenaar, stelt Cosic bitter vast.

Eén gek kan meer vragen oproepen dan honderd filosofen kunnen beantwoorden, zo blijkt elke drie maanden in Lettre International.