De smaad van het land

Er zijn ogenblikken waarop ik denk: ik ben nationalist. Onlangs was er zo'n ogenblik. Maandag had het tweede Duitse net (ZDF) een programma over Srebrenica. Toen het optreden van de Nederlandse blauwhelmen ter sprake kwam, kregen we een scène te zien die ik walgelijk vond.

Wat toonde die scène dan? Lijken van vermoorde Bosniërs? Nee, een stuk of twintig Nederlandse soldaten, sommigen met bierblikjes in de hand, die een polonaise dansten op de maat van een kapel, temidden van lachende omstanders. Het was op het feest dat voor het teruggekeerde Dutchbat was gearrangeerd, op Soesterberg geloof ik.

Nu vind ik zo'n polonaise van lallende mensen altijd walgelijk. Maar zoiets behoort blijkbaar tot onze cultuur (niet de onze alleen: ook de Duitsers, en misschien ook wel anderen, zijn er sterk in). Zelfs in de tuin van het Catshuis werd zo'n polonaise eens gehouden : toen premier Den Uyl in 1974 het Nederlandse voetbalelftal daar feestelijk ontving, nadat het van de Duitsers niet gewonnen, maar verloren had.

Maar die scène op Soesterberg overtrof alles nog in walgelijkheid, te meer omdat ik haar op een buitenlands televisiestation zag (op Nederlandse televisie had ik haar nooit gezien). Die scène was namelijk extra walgelijk door wat er kort tevoren in Srebrenica en omgeving was gebeurd. De details van de massamoorden door de Serviërs kenden we weliswaar nog niet, maar de ministers Pronk en Voorhoeve hadden toen al wel van genocide gesproken. En die feestende soldaten wisten het wèl.

Wat heeft dit nu met mijn nationalisme te maken? Welnu, ik werd niet alleen vervuld van walging, maar ook van diepe schaamte. Het waren per slot van rekening landgenoten die daar dansten - bijna op de lijken van de mensen die ze geacht waren geweest te beschermen. Een beetje terughoudendheid was passender geweest.

Nu voel je schaamte alleen om wat jezelf of degenen met wie je je solidair voelt, gedaan of niet gedaan hebben. Blijkbaar voelde ik mij op enige wijze solidair met die Nederlandse soldaten. Als het andere soldaten waren geweest, zou ik alleen walging hebben gevoeld, geen schaamte. Dàt is mijn nationalisme.

Dat uit zich blijkbaar meer in het negatieve dan in het positieve. Als het Nederlandse elftal van Duitsland wint, vind ik dat ook wel leuk, maar meer omdat dan een klein land van een groot land wint dan omdat ik zo voor Nederland ben. Als België of Denemarken van Nederland wint, laat mij dit koud of denk ik soms zelfs: net goed.

Wat dat betreft is wat Carry van Bruggen het ene kernmerk van het nationalisme noemt: “De smaad van het land is de smaad van het Ik” meer op mij van toepassing dan de keerzijde ervan: “Hoe groter, machtiger, welvarender, glorieuzer het land is, hoe meer betekent het daarvan een burger te wezen voor het aanzien van het individu”.

Nu zijn er de laatste tijd genoeg gelegenheden geweest om zich de 'smaad van het land' aan trekken. De blauwhelmen van Srebrenica zijn dan weliswaar officieel witgewassen maar er blijft altijd iets van twijfel hangen. Trouwens, er zijn nog vragen onbeantwoord. In elk geval is het geen glorieuze pagina in onze geschiedenis geweest.

En of het buitenland helemaal overtuigd is van onze zelfverschoning? Dinsdag stond in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (die weinig foto's heeft) weer die foto van generaal Mladic en overste Karremans die het glas heffen na de overgave van Srebrenica, terwijl die gebeurtenis ruim drie maanden geleden had plaatsgevonden en de foto toen vele malen is gepubliceerd (onder andere in Time). Bovendien toonde de FAZ de foto buiten elke context, dus niet als illustratie bij een artikel over Srebrenica of Bosnië. Ook het onderschrift zinspeelde niet op iets actueels, zoals het rapport over Srebrenica, dat de dag tevoren verschenen was. Pure stemmingmakerij dus.

Ik zeg dit niet uit verontwaardiging, maar om aan te tonen dat het buitenland Nederland nog wel vaker zal herinneren aan Srebrenica en buitenlanders Nederlanders erover zullen aanspreken. Het gevoel onbegrepen, zo niet belaagd te worden is de kiem van nationalisme.

Het Nederlandse drugsbeleid geeft ons ook al niet veel reden om met het hoofd fier in de nek rond te lopen. Al roepen we, met minister Sorgdrager, nog zo hard: iedereen loopt uit de pas behalve wij (ook een soort nationalisme) - het blijft onbegrepen. En wat de commissie-Van Traa onthult aan toestanden bij (en tussen) justitie en politie, geeft ook meer aanleiding tot schaamte dan tot trots.

Ook zoiets als een staatsbezoek kunnen we blijkbaar niet meer vlekkeloos organiseren. Op het laatste ogenblik kon bondspresident Herzog geen krans bij het nationale monument op de Dam leggen, omdat men vergeten was dat er tegelijkertijd kermis was. Om niet te spreken van het koninklijk bezoek aan Indonesië met zijn incidenten. Wanneer minister Van Mierlo de media verwijt deze op te blazen of zelfs te verzinnen, dan moet ik denken aan Hamlet: “The lady doth protest too much, me thinks”.

Al deze zaken trek ik mij, soms bijna persoonlijk, aan. Als dit het bewijs van nationalisme is - het zij zo.

Naschrift. “Een moeilijk stuk, hoor”, zei een vriend van me over mijn artikel Berust de moraal op zichzelf? (31 oktober). Dat kwam, zei ik, doordat in de laatste alinea het woordje niet was weggevallen en daardoor de logica uit het betoog verdwenen was. “Niet dat ik niet bang ben voor deze gevolgen”, maar het tweede niet was bij de verwerking van mijn kopij weggevallen.