Atomaire wolken uit de jongenskamer

Het is een mooie, warme nazomerdag en we zitten in het bos. Er is een bank, daarop zit ik, er is een vloer van mos, daarop slaapt Frank. Stil is het in het bos. Alleen ver weg, veel dieper het bos in, hoor je af en toe een vogel alarm slaan. Dichtbij is er niets. Voor ons een groene wand van bomen, achter ons een groene wand van bomen. Boven ons de blauwe lucht. Daar drijven witte wolken geluidloos voorbij.

Buiten het bos staat ons huis. Daar is het niet stil. Daar dreunt langs de wanden de heavy metal, de trash metal en death metal. De toonzetting van een dertienjarige als coulisse van het wereldnieuws. Bosnië: 'Military intelligence makes no sense' van Megadeth; Mururoa: 'Count down to extinction'. Sauriërgeluiden van Obituary: 'Deadly intentions', 'Slowly we rot'. Zombies en lijken. Bio Hazard.

Wolken zijn er thuis ook, heel veel zelfs en ze zijn allemaal paddestoelvormig: een jongenskamer vol tekeningen van alle soorten atomaire explosies. Het einde van de wereld is een gruwelijke Efteling. Een sprookje, ondanks alles, want dertienjarigen zijn nog steeds kinderen. Vandaag bijvoorbeeld, op deze mooie nazomerdag. Vandaag zijn het gewoon jongens. Jongens die met hun vriendjes een hut bouwen in het bos. Wij weten niet waar, want zo'n hut moet een geheim zijn.

Ik kijk naar de blauwe lucht en de witte wolken. Ik zie ze komen boven de ene bomenwand en weer verdwijnen boven de andere. In volstrekte stilte.

Dan is daar plotseling een zware knal. Hij komt diep uit het bos vandaan, uit de richting waar net nog de vogels alarm sloegen. Een jager? Het is tenslotte al herfst. Maar zomaar midden op de dag? En de kinderen zijn daar! De kinderen. Op het netvlies van mijn gedachten verschijnt ineens een klein potje. Er zit een wit poeder in dat potje. Ik zag het gisteren in de kinderkamer staan. Een raar potje, dacht ik toen nog. Het potje laat zich niet meer uit mijn gedachten verdrijven en terwijl ik me afvraag of het er vanmorgen nog stond, klinkt er een tweede knal. Het lijkt warempel wel een kleine explosie. Ze zijn er vrijwel meteen, de drie jongens. Maar op het moment dat ik ze in de gaten krijg, zijn ze ook al weer bijna voorbij. Ze zijn achter ons uit het bos gestapt en steken vlakbij de bank het pad over. Met hun ruggen en nekken stijf proberen ze krampachtig alleen recht vooruit te kijken. 'Hiro-Chirac' schreven ze deze week nog boven hun Franse overhoringen. Eigenlijk willen ze helemaal geen Frans meer en er komt geen produkt uit het verketterde land hun huis in. 'Jongens', roep ik ze na, 'jongens, hebben jullie net die knallen gehoord?'

Geen reactie natuurlijk. Ze lopen onverstoorbaar door. 'Hé!', roep ik nog een keer. Degene van de drie die van ons is, draait zich houterig om. 'Ja, nu je het zegt, ik hoorde net ook zo iets', zegt hij en maakt een gebaar dat op argeloosheid zou moeten duiden. Maar zo onbeholpen. Ze lopen verder over het groene pad. Een plechtig driemanschap, de benen stijf vanuit de heupen, als echte mannen.

Frank is nu ook wakker. We kijken naar de blauwe lucht met de witte wolken. We kijken hoe ze verschijnen boven de ene bomenwand en weer verdwijnen boven de andere. Niet een lijkt er op een paddestoel. We blijven nog even.