VAKIDIOTIE

Een beroepsdeformatie vervult ons met een zekere meewarigheid, zo niet met ergere gevoelens. De perronopzichter die na zijn pensioen om het kwartier opschrikt van een trein die nooit meer langs raast, verdient wellicht nog mededogen. Maar de internist die in elke vrouw op straat slechts een wandelende maagaandoening ontwaart, wekt alleen onze spotlust op. Natuurlijk, je werk is je leven, en het werk gaat voor het meisje, maar er zijn grenzen. Het beroep mag het leven niet in de weg staan.

Kennis mag onze alledaagse ervaringen niet al te veel kleuren, want dan kun je nergens van genieten. Wee de chemicus die zich bij elke hap bewust is van het afbraakproces van koolhydraten, of de plantefysioloog die bij iedere bos rozen alleen denkt aan het dichtslibben van de vaten in de stelen. Hun vak vertekent hun reacties en dat komt hen op hoon van anderen te staan. 'Is dat nu het enige wat je te binnen schiet bij deze schitterende rozen / dit heerlijke diner?' roepen de omstanders in koor. 'Ja', zal de gehandicapte met neergeslagen ogen bekennen, 'het is het eerste dat ik zie.' Als hij verstandig is, zal hij er geruststellend aan toevoegen dat hij in tweede instantie heus wel meer ziet.

Een beroepsdeformatie maakt een mens tot een karikatuur van zichzelf, tot een vakidioot, blind, kortzichtig en zelfs gevaarlijk. De enigen die op enige clementie van de buitenwereld mogen rekenen, zijn kunstenaars. De pianist die tijdens een recital van een collega fronsend metronoomwaarden prevelt, kunnen we wellicht vergeven - kunstenaars zijn nu eenmaal vierentwintig uur per dag vergroeid met hun kunst. Maar wetenschappers moeten zich een beetje gedeisd houden over hun vak, het is tenslotte slechts zelden een levensvullende roeping.

Het is natuurlijk maar de vraag of kennis het onbevangen genieten in de weg staat en ons belet 'gewoon' te leven. Zoals ook bij goede wijn gaat het natuurlijk om de juiste dosering. Een psychoanalyticus wiens wereld slechts bevolkt wordt door getraumatiseerden, is rijp voor behandeling door een van zijn vakgenoten. Maar op het juiste moment is de vakidioot het beste gezelschap wat er is. Wie met een veldbioloog langs de rivieren dwaalt, ziet honderdmaal meer dan zijn eigen ongeoefende oog zou kunnen waarnemen. Een kunsthistoricus kan zoveel onvermoede dimensies in een schilderij van Jeroen Bosch onthullen, dat de leek zijn onschuld tegenover de kunst voor altijd kwijt is. Wel is het waar dat vakkennis in het gewone leven een zekere mate van schizofrenie veroorzaakt. Vakidiotie of beroepsdeformatie zijn attitudes die niet meer uit te schakelen vallen, hoogstens te verbergen. In een milde vorm hebben we er bijna allemaal wel last van. En genieten we er zelfs van, hoe ongerijmd dat ook klinkt. Want zoals een ongelukkige jeugd een writer's goldmine is, zo is een kleine beroepsdeformatie voor de meesten van ons een geheime en onuitputtelijke bron van genoegens. Zo zal ik maar onmiddellijk opbiechten dat ik met twee collega's een paar jaar geleden heb genoten van alle desastreuze gevolgen van een aardbeving in Costa Rica: de duizenden van hun vaste boomtakken losgetrilde epifyten, de spectaculaire aardverschuivingen, de ontwrichte bruggen, en de geweldige hoeveelheden sediment in de rivier en op de bananenvelden. Natuurlijk waren we begaan met het lot van degenen die hun huizen in een oogwenk hadden zien instorten, maar eerlijk gezegd overheerste bij ons een lichte euforie: uiteindelijk moest de mens buigen voor de natuur! Even zagen we de geomorfologische krachten samengebald in een voor de mens herkenbare tijdschaal.

Een zekere schizofrenie hoeft het genieten geenszins te belemmeren. De bioloog neemt op hetzelfde moment én het adembenemende landschap van een zandverstuiving waar én de verstoring van een climaxvegetatie als gevolg van ingrijpen door de mens. Dat zijn geen tegenstrijdige maar elkaar aanvullende ervaringen. Ze dringen zich tegelijkertijd op en versterken elkaar. Verwondering over de complexiteit van onderliggende processen verdiept de esthetische ervaring maar vervangt haar niet.

Iemand die lijdt aan een beroepsdeformatie moet overigens niet verward worden met een workaholic. De aandoening heeft niets te maken met nerveuze managers die onophoudelijk piekeren over alles wat er nog gedaan moet worden en tijdens hun vakantie elke dag naar kantoor moeten bellen. De vakidioot geniet daarentegen van zijn vakantie omdat hij altijd wel ergens iets ziet dat een onverwacht beroep doet op zijn kennis. Het is een onvermijdelijke manier van kijken, van luisteren, van proeven, van interpreteren. Het is alsof alle relevante zintuigen voortdurend in een bepaalde constellatie op actief staan. Ik kan die alertheid het beste vergelijken met het multi-tasking onder een besturingsprogramma zoals Windows. Ook al ben je met heel andere dingen bezig dan je vak, toch wordt ieder signaal even heel snel gescreend door een achterliggend programma dat continu blijft draaien. Het is dus zeker geen gedachteloze Pavlovreactie. Precies die zintuigen zijn permanent actief die voor de interpretatie vanuit de eigen vakkennis noodzakelijk zijn. Een ornitholoog houdt zijn gehoor gespitst en zal bij het Kronoskwartet nog vogelgeluiden menen te beluisteren, maar een architect die vooral visueel is ingesteld, overkomt dat niet zo snel.

Niet iedereen die een discipline beheerst, lijdt aan dit soort vertekende waarnemingen. De bevattelijkheid voor beroepsdeformaties heeft iets te maken met passie, met een zekere gretigheid die bepaalde mensen nu eenmaal van nature hebben. Ik geloof niet dat de aard van het vakgebied er veel toe doet, ondanks het feit dat de aandoening het sterkst verbreid lijkt bij de levenswetenschappen. Maar ook verstokte alfa's lijden er aan: ik herinner me uit mijn jeugd hoe de filosoof in onze familie met uiterste concentratie op het strand zat te lezen temidden van de uitgelaten badgasten - het dikke zwarte boek op zijn schoot was getiteld 'Doodsproblematiek'... De sociale gevolgen en de onaangepastheid die iedere beroepsdeformatie met zich meebrengt, kunnen ver gaan. De ware vakidioot is bijvoorbeeld een ster in het verzinnen van uitvluchten. 'Je zoekt toch niet al weer een linksdraaiende slak, schat?' 'Nee, nee, hoe kom je er bij? Ik knoopte alleen mijn veters even vast.' Laten we ook niet het leed vergeten van partners, kinderen en vrienden die uren in de motregen moeten wachten tot Klaas die ene latijnse inscriptie op dat kerkhofje boven op de berg heeft ontraadseld. Of tot tante Riet na vele kilometers over een zompig pad de zeldzame gevlekte orchis die volgens het boekje uitsluitend in deze vallei voorkomt, heeft betrapt - vooral als vervolgens op de terugweg blijkt dat er talloze exemplaren in het weiland naast de auto staan.

Ik denk dat buitenstaanders onderschatten welke diepe sporen vakkennis in het bewustzijn achterlaat en hoe sterk een beroepsdeformatie in het leven ingrijpt. Met ingrijpen bedoel ik de onomkeerbaarheid van het echt anders naar dingen kijken, het wezenlijk anders ervaren van het leven zelf. Dat speelt vooral, denk ik, bij vakgebieden die zich richten op volledig andere orden van grootte dan wij kennen uit onze menselijke ervaring. Vakkennis van de moleculaire en atomaire schaal, of, aan het andere uiteinde, van astronomische en geologische schalen, moet het dagelijks leven diepgaand beïnvloeden. Al is het maar door een besef van relativiteit, van de maat der menselijke dingen.Maar eigenlijk geldt dat wel voor alle vakidioten: ook de historicus of de musicoloog kunnen niet anders dan zich te laten doordringen van de grootheid van sommige individuen.

Hoe tegenstrijdig het ook klinkt: een beroepsdeformatie leidt vaak tot een zekere mate van nederigheid. Misschien is U nu een licht op gegaan: de universiteit is niets anders dan een kweekvijver van kleine academische deformaties, een broedplaats van licht afwijkende medeburgers. De lijders worden gekenmerkt door een onstuitbare begerigheid naar kennis, ongeacht hun vakgebied. Zij bevinden zich in een voortdurende staat van lichte opwinding, vallen hun medemensen op de meest storende momenten lastig met irrelevante vragen - hoezo? waarom? hoe dan? Het lastige is dat niets U waarschuwt dat U met een afwijking van doen hebt: aan de buitenkant zien ze er net zo uit als de meeste andere mensen. Het is begrijpelijk dat U ze onmogelijk gezelschap vindt. Het enige dat ik U dan kan aanraden, is uiterste waakzaamheid: roep bij de eerste tekenen van dwaas gedrag deskundige hulp in! Anders zit U, voor U het weet, levenslang met een vakidioot opgescheept.