Uit het hoofd

Maarten 't Hart heeft - zo schrijft Alfred Kossman op de Achterpagina (NRC Handelsblad, 27 oktober) - gedichten uit het hoofd geleerd voor tijden van nood, bij een gijzeling bijvoorbeeld. Joseph Brodsky laat om vergelijkbare redenen zijn studenten versregels uit het hoofd leren.

Laat mij iets aanhalen uit de Duitse bezettingstijd. Mijn literaire vriend Eb van de Beld (Delft 1919-Putten 1955), met wie ik in 1943 het clandestiene culturele maandschrift 'Stijl' had opgericht - het blaadje werd na vier nummers opgevolgd door 'Stijlbloempjes' en het communicatiemiddel 'Maecenas' - werd in 1944 door de Duitsers opgepikt. Via Amersfoort werd hij te werk gesteld in een kalkfabriek en ondergebracht in 'Ostarbeiterlager Voszbeck, Düsselerhöhe über Wuppertal-Vohwinkel'. Op een grauwe briefkaart, voorzien van een ingedrukte postzegel met de kop van Hitler en duidelijk gecensureerd, schreef Van de Beld mij onder andere: Stuur mij ook wat poëzie. Ik bezit hier niets, ik citeer slechts mijn geheugen en nu zijn alleen nog maar van belang de woorden van Werumeus Buning: “O, eenzaamheid van dit bestaan,/ de klokken slaan, de sterren schijnen,/ door 't venster ziet de dood ons aan”. Per kerende post heb ik mijn vriend vitaliserende verzen gestuurd. Daaronder uiteraard ook Marsmans 'Lex barbarorum' met de regels: “Ik erken maar één wet: léven. Allen, die wegkwijnen aan een verdriet, verraden het en dat wíl ik niet”. In Dornap heeft hij, vertelde hij mij later, geprobeerd de gedichten uit zijn hoofd te leren, liggend op zijn krib.