Totale overgave van Viersen

Concert: Rising Stars. Quirine Viersen, cello; Ivo Janssen, piano. Programma: Schumann: Adagio en Allegro, op. 70. Kodály: Sonate op. 8 voor cello solo. Beethoven: Zeven variaties over 'Bei Männern welche Liebe fühlen'. Schnittke: Eerste Sonate voor cello en piano. Gehoord: 1-11 Concertgebouw Amsterdam.

Op initiatief van Martijn Sanders, de directeur van het Amsterdamse Concertgebouw, formeerden enkele gerenommeerde Europese concertorganisatoren in 1991 de European Concert Hall Organisation. Oogmerk was het creëren van een mogelijkheid voor jonge, veelbelovende musici om zich op belangrijke podia internationaal te presenteren. Zo ontstond de serie 'Rising Stars 95/96', waaraan wordt deelgenomen door de Symphony Hall Birmingham, de Alte Oper Frankfurt, de Kölner Philharmonie, de Royal Festival Hall and Hayward Gallery London, het Stockholms Konserthus, de Musikverein Wien, het Konzerthaus Wien, en het Amsterdamse Concertgebouw. De serie is samengesteld uit vijf 'sterren van morgen', die werden voorgedragen door Amsterdam (Quirine Viersen), Londen (Palladian Ensemble), Wenen (Tanja Tetzlaff en Benjamin Schmid), Stockholm (Bengt-Ake Lundin) en Duitsland (Werner von Schnitzler).

Celliste Quirine Viersen en pianist Ivo Janssen hadden er al twee recitals in Keulen en Birmingham opzitten, toen ze zich gisteravond in het Concertgebouw presenteerden. Dat was goed te merken aan de intensiteit van hun samenspel. De onderlinge klankverhouding van het duo was optimaal uitgebalanceerd, en muzikaal bleken de uitzonderlijk getalenteerde Viersen en haar allerte begeleider geen geheimen voor elkaar te kennen.

'Fris en hartstochtelijk', zo beschreef Clara Schumann in maart 1849 de nieuwste compositie van haar echtgenoot, het Adagio en Allegro in As voor hoorn (of cello) en piano. Ook Schumann zelf was bij uitzondering tevreden: 'Ich habe Freude daran gehabt, wie ich's hörte'. In de vitale, fonkelende en extreem 'vreugdevolle' vertolking van dit werk manifesteerde Viersen, die in 1994 als eerste Nederlandse musicus een prijs won op het roemruchte Tsjaikovsky Concours in Moskou, zich opnieuw als een geweldig natuurtalent. Als dochter van twee cello spelende ouders moet ze al in een heel vroeg stadium erfelijk belast en vooral belust zijn geraakt, zó natuurlijk en vanzelfsprekend is haar omgang met de cello. Zoals een kind kan opgaan in een spel, zo vergeet Viersen alles om zich heen zodra ze begint te spelen. Die totale overgave en concentratie komt in de eerste plaats tot uiting in de diepte en de gloed van haar dynamische toon, die ook in de meest gecompliceerde passages blijft zingen en bekoren.

Haar spectaculaire uitvoering van Kodály's bijna onspeelbare Solosonate en haar briljante en doorvoelde interpretatie van de minstens zo ingewikkelde Eerst Cellosonate van Schnittke maakten duidelijk, dat er voor Viersen gewoon geen problemen op het gebied van streek of intonatie bestaan. Als er op haar magnifieke spel al iets valt af te dingen, dan misschien die bijna onmerkbare naïviteit van haar fraseringen, die zo direct en spontaan zijn dat ze soms, zoals in Beethovens Variaties, weleens kansen onbenut laat op het gebied van de dynamiek, de contrastwerking en de overkoepelende spanningsopbouw.