Theater op bestelling;De werkvloer weerspiegeld

Hun podium staat in een bedrijf of instelling, en de zaal is altijd uitverkocht. Ze spelen al zeven jaar zonder subsidie, en leggen in hun stukken de vinger op de zere plekken in de samenleving. En al betaalt de opdrachtgever, het Werkteater bepaalt het spel.

Behalve 'Over Leven' en 'Gek van 't werk' staan ondermeer stukken op het repertoire over de competentiestrijd tussen ouders van gehandicapte kinderen en hun hulpverleners ('Mantel der liefde') en de Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst ('Pillen, parafen en parkieten'). Het Werkteater beschikt over een eigen theaterruimte aan de Oostenburgergracht in Amsterdam, waar ook - veelal besloten - voorstellingen worden gegeven. Het Werkteater is niet goedkoop: zo'n 50 à 80.000 gulden voor een te ontwikkelen voorstelling en 4,5 à 6.000 gulden voor een reprise.

Wij zijn de perfecte hofnar: duur, ontregelend en geestig. Als je ons uitnodigt, gaat de beer los. Dan blazen de mensen eindelijk stoom af.'' Aan het woord is John Rouvroye, acteur en directielid van de 'Coöperatieve vereniging Het Werkteater'. Het gezelschap, gevestigd in een oud havengebouw in Amsterdam, maakt toneelstukken in opdracht van zorg- en overheidsinstellingen, belangenverenigingen en bedrijven, die vaak worden opgevoerd in kantines of gemeenschapszalen. De stukken duren meestal een uur, worden gespeeld door vier acteurs en zijn bedoeld om de verschillende geledingen in de organisatie van de opdrachtgever een spiegel voor te houden.

“Als je in zo'n organisatie verdiept, schrik je je te pletter. In het bedrijfsleven stikt het van de communicatiemanagers, terwijl de mensen van elkaar vervreemden. Efficiency en kwaliteitsbeheersing nemen toe, maar op de vloer raken ze overspannen. Wij leggen, zonder stelling te nemen, de conflicten, angsten en tegenstellingen in een organisatie bloot.” Vooraf houdt het Werkteater inhoudelijke discussies met de opdrachtgevers. “Maar wij praten ze niet naar de mond”, zegt Marc Krone, evenals Rouvroye acteur en lid van de directie. “Als de opdrachtgevers precies kunnen bepalen wat er in een voorstelling komt, doe je het niet goed, dan ben je een fluthofnar.”

Het Werkteater (zonder h, conform de tijdgeest in het oprichtingsjaar), ontstond 25 jaar geleden uit onvrede met de toenmalige toneelpraktijk en baarde opzien met het spelen van stukken voor psychiatrische patiënten, gehandicapten, delinquenten en kankerpatiënten, waarin scènes uit hun dagelijks leven ten tonele werden gebracht. Na afloop volgden meestal discussies tussen de acteurs en de betrokkenen in de zaal waarin dieper werd ingegaan op het gebodene. In 1988, toen de subsidie aan het - inmiddels kwijnende - gezelschap ophield, besloot een kleine groep acteurs de oorspronkelijke uitgangspunten te laten voortleven.

Dat lukte. De coöperatie is, tot veler verbazing, springlevend en telt twintig leden en zeven krachten in vaste dienst. Marc Krone, die nog als acteur voor het oude Werkteater speelde, zou graag voorstellingen willen maken over slachtofferhulp, vreemdelingenbeleid en gezins- en zwakzinnigenzorg. “Maatschappelijk engagement is weer getolereerd”, zegt hij “Maar waar we het meest nodig zijn, kunnen ze ons niet betalen.” Hij wil dan ook een gooi doen naar subsidiëring van overhead-kosten, nu de overheid bij toneelgezelschappen een groter marktbewustzijn bepleit.

In de gehoorzaal van huize Bornia Herne te Leeuwarden wandelen een voor een de genodigden binnen: verpleegkundigen, leidinggevenden, maatschappelijk werkers en stafleden van dit verpleeghuis en van andere zorginstellingen in de regio. Op het toneel spelen vier acteurs in wisselende rollen scènes, die uit het dagelijks leven in het verpleeghuis zijn gegrepen. Het stuk, Over Leven, stelt het kwaliteitsbeleid in verpleeghuizen aan de orde. En dat gebeurt op herkenbare wijze, zo blijkt uit de soms hilarische, dan weer instemmende of ontroerde reacties in de zaal. In één uur komen vele aspecten aan de orde: de moeizame relatie verpleegde-verpleegkundige, de breekbare verstandhouding tussen een Alzheimer-patiënt en een bezoekend kind, de werkdruk en stress onder het personeel, de eenzaamheid van de bewoners en de verwerking van sterfgevallen.

“Confronterend”, vat een maatschappelijk werkster in de koffiepauze op de gang het gebodene samen. De hoofdverpleegkundige in haar gezelschap voegt daaraan toe: “Het is zó herkenbaar, hier wordt in een uur gezegd waar wij al jaren mee bezig zijn.” Ze noemt de scène waarin een patiënt bij een intake-gesprek op botte wijze wordt overstelpt met praktische opmerkingen en vragen: “Het is voor verpleegkundigen vaak moeilijk om meteen de geschiedenis te beseffen die iedere patiënt met zich mee brengt.” Beide vrouwen drukken hun rug tegen de muur en zwijgen, als een drietal werknemers van een begrafenisonderneming voorbijtrekt, met in hun midden een rijdende baar.

Na de pauze leidt acteur Tjerk Risselada de discussie. In de zaal wordt de scène ter sprake gebracht, waarin een patiënt razend wordt op een verzorgster die weigert hem te helpen bij het aantrekken van zijn pyjama. “Ik wil verzorgd worden”, legt de acteur uit die de patiënt speelt. “Waarom zou ik dat dan zelf moeten doen?” Waarop de actrice die de verpleegkundige speelt: “Wij hebben in het werkoverleg besproken dat u zelfstandiger moest worden.” De discussie leidt - via het dilemma tussen een helpende hand bieden dan wel de zelfstandigheid van de patiënt stimuleren, - naar de vraag of voldoende rekening wordt gehouden met de wensen van verpleeghuis-bewoners.

“We luisteren te weinig naar de patiënt”, merkt een vrouw in de zaal op. Veel aanwezigen brengen instemmende geluiden voort. Een verpleegkundige: “We hebben trucjes, die ik niet wil goedpraten. Als een man niet geschoren wil worden, doen we dat 's ochtends vroeg als hij nog slaperig is. Dat vind ik netzogoed dwang. Daar schaam ik me dan achteraf voor.” Een collega van haar: “Als iemand iets niet wil en ik doe het toch, dan denk ik achteraf van mezelf: trut!”

Dan komen de kleine pleziertjes ter sprake die patiënten worden ontzegd omwille van de huisdiscipline - in het stuk uitgebeeld door een clandestien koekjes verorberende bewoner. Nee, een borreltje zouden ze een patiënt nooit misgunnen, maar afhankelijk van zijn gezondheidstoestand wordt beoordeeld of er daarna nog meer mogen volgen. “,En als hij een dame van een escortbureau wil bestellen?” probeert de discussieleider. “Als iemand dat met zijn eigen normen en waarden kan verenigen”, zegt een leidinggevende, “dan kunnen wij daar niet tegen zijn.” Een vrouw: “Officieus hebben wij hier nu een euthanasie-beleid. Waarom dan niet ook een seksualiteitsbeleid?” “Eerst moeten we daar een speciale ruimte voor creëren. Maar eens zullen die dingen allemaal in onze folder staan”, voorspelt een kaderlid van Bornia Herne.

Alexandra Blaauw, gediplomeerd acteur en regisseur, beschouwt spelen bij het Werkteater niet als “zomaar een voorstelling afdraaien”. De discussies na afloop vormen een wezenlijk bestanddeel van het optreden. “Die vind ik even interessant als het spelen. Mensen kunnen refereren aan de voorstelling en het ineens openhartig over zichzelf hebben; ze zijn niet meer bang zich kwetsbaar op te stellen. Wij komen niet met een oplossing, maar confronteren en katalyseren.”

Ter voorbereiding van Over Leven heeft Blaauw samen met de andere spelers anderhalve week in een verpleeghuis meegelopen en met personeelsleden in alle geledingen vraaggesprekken gevoerd. Vervolgens ontwikkelden ze gevieren, in langdurige gesprekken en al improviserend, het stuk - de voor het gezelschap gebruikelijke procedure. Voor het maken van een voorstelling, vanaf de eerste research tot de première, staan gemiddeld vijf à zes weken. Wordt het stuk ook elders gespeeld, dan wordt het aan de specifieke bedrijfscultuur of problematiek bij de uitnodigende instantie aangepast.

Dezelfde week staat Alexandra Blaauw in Rijssen voor de Gasunie op de planken; in Gek van 't werk, een voorstelling over de gevolgen voor werknemers van kwaliteitsmanagement. Of het nu een stuk voor een zorginstelling of een commercieel bedrijf betreft, de actrice ziet overeenkomsten: “Het gaat vrijwel altijd over gebrek aan communicatie en onmacht bij werknemers. Mensen die in alle geledingen van de hiërarchie dingen niet durven te zeggen. Terwijl ze op de werkvloer verstandelijk met elkaar omgaan, laten ze op zo'n avond hun emotionele kant zien.”

Op de vraag of ze met dit werk onder gesubsidieerde collega's enig aanzien geniet, haalt Blaauw haar schouders op: “Het Werkteater bestáát dat nog! is meestal de eerste reactie. Vaak van mensen die net voor anderhalve man en een paardekop in Frascati hebben gestaan, terwijl wij voor een uitverkochte zaal speelden met 300 volkomen gemotiveerde mensen.”