Telecombedrijf Enertel terug naar af met bescheiden opzet

UTRECHT, 2 NOV. Enertel is in wezen helemaal terug bij het begin, legde president-commissaris dr.ir. Wim Naeije gisteren in Utrecht uit bij de presentatie van de beoogde concurrent voor het netwerkbedrijf van PTT Telecom. Vanaf 1996 wil Enertel een alternatief bieden voor het PTT-net, mits minister Jorritsma (verkeer en waterstaat) daartoe een vergunning verstrekt.

Met die licentie zal Enertel huurlijnen en andere telecom-diensten aanbieden aan 's lands grootste 500 bedrijven en organisaties, en verschaft het een landelijke 'ruggegraat' aan regionale ondernemingen, zoals kabeltv-bedrijven, die in telecom-diensten actief willen worden. Ook ziet Enertel voor zichzelf een coördinerende rol in die regionale initiatieven, opdat in 1998 een tweede niet-mobiel landelijk net voor spraaktelefonie ontstaat. In 2005, aldus Naeije, kan zo'n net 20 procent van de Nederlandse markt verwerven, goed voor 2,5 miljard gulden omzet.

Enertel, gevormd door tien grote energiebedrijven, geldt sinds 1993 als dè kandidaat voor exploitatie van een tweede openbaar net. Het landelijke glasvezelnet dat de energiebedrijven benutten voor hun interne telecommunicatie en controle van de energiedistributie kan met betrekkelijk geringe investeringen geschikt worden gemaakt voor gebruik door derden. Naeije schat het hiervoor benodigde kapitaal op minder dan 200 miljoen gulden.

Wil Enertel zich ontpoppen als “die ene sterke nationale concurrent” voor PTT Telecom die minister Jorritsma voor ogen heeft, dan is medewerking van kabeltv-bedrijven onontbeerlijk. Zij bezitten de netten die toegang geven tot zo'n 96 procent van de Nederlandse bedrijven en huishoudens. De energiebedrijven controleren via hun kabeldochters al zo'n 50 procent. In december zullen de aandeelhouders van Enertel, die intensief bij de plannen betrokken zijn, zich formeel achter het ondernemingsplan moeten scharen. Naeije verwacht hierbij geen problemen.

Enertel presenteerde eerder dit jaar plannen om zich te profileren als een volwaardige nationale telecom-onderneming, die de PTT op allerlei fronten zou beconcurreren. In die opzet was duidelijk de hand van NS merkbaar, vorig jaar door Verkeer en Waterstaat richting Enertel gemanoeuvreerd, dat een sterk gecentraliseerde aanpak bij zo'n nieuwe telecom-reus propageerde. Dat was tegen het zere been van de kabelbedrijven, die miljardeninvesteringen in hun netten moesten doen zonder dat daar naar rato zeggenschap tegenover stond. Dit leidde er in juni van dit jaar toe dat de combinatie NS-Enertel uiteenviel.

Met de huidige plannen is Enertel terug op het uitgangspunt dat de onderneming vooral actief zal zijn als aanbieder van infrastructuur, als “onderneming voor ondernemingen”, zoals Naeije dat noemt. Dat doet recht aan de wens van de kabelbedrijven, verenigd in de Vecai, zelf uit te maken in welke nieuwe diensten ze investeren. Bovendien eisen de Vecai-leden vrijheid van keuze wie hun signalen transporteert. Als PTT Telecom of wellicht NS - dat ook aast op een vergunning voor openbare exploitatie van z'n telecomnet - een beter aanbod heeft dan Enertel, willen ze daarvan gebruik kunnen maken.

De bescheiden opzet maakte het Enertel in ieder geval gemakkelijker zijn ondernemingsplan op te stellen. De organisatie zal “relatief klein en slagvaardig” zijn, aldus Naeije. Ze begint volgend jaar met tachtig medewerkers, welk aantal kan toenemen tot 250. De omzet die Enertel zelf toevalt, zal naar schatting een half miljard gulden bedragen.

Ook zonder koppeling van alle Nederlandse kabelbedrijven aan het Enertel-net is het volgens Naeije mogelijk snel op break even te komen. Dat maakt de uitkomst van de disussie over wie nu de echte landelijke concurrent van PTT Telecom wordt in gewone spraaktelefonie - verreweg de belangrijkste telecommarkt, en in 1998 open voor concurrentie - voor Enertel even wat minder urgent. Binnen dit bedrijf leeft de opvatting dat die concurrentieslag een landelijke aanpak vergt. Of de kabelbedrijven, zeker de grootste, die niet aan de energiesector gebonden zijn (Casema en KTA), bereid zijn zich te voegen in een centraal stramien is nog twijfelachtig.