Niet het sloofje van de afdeling worden

Haar zelfvertrouwen is minimaal. Negen jaren zonder werk zijn daar debet aan. Ettelijke keren wezen werkgevers Jeanette van Ooijen (30) af; ze was te oud of had geen ervaring. Op 23-jarige leeftijd belde ze op een vacature voor verkoopster in een kaaswinkel in het Utrechtste winkelcentrum Hoog Catherijne. De kaasboer beet haar toe dat ze te oud was. Ze zou nooit meer aan het werk komen. Vervolgens smeet de man de hoorn op de haak.

De voorspelling van de Utrechtste kaasboer is niet uitgekomen. Sinds acht weken werkt Van Ooijen als hulp in revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht. Het is een Melkert-baan; betaald door de overheid en bedoeld voor mensen die langer dan een jaar werkloos zijn. Van Ooijen maakt bedden op, stoft kamers, brengt revalidanten naar therapie, dekt tafels en schenkt koffie. “Ik wist van tevoren dat ik veel moest opruimen.”

En ze vindt het best. Die Melkert-baan bezorgde haar toch al de nodige stress. Ze was zenuwachtig toen ze moest solliciteren. Ze was angstig voor de revalidanten, van wie sommigen door een hersenbloeding halfzijdig verlamd zijn geraakt en nauwelijks kunnen praten. “Hoe moest ik ze dan begrijpen?” En ze was bang toen ze de eerste dag met een patiënt in een rolstoel naar het zwembad op de begane grond werd gestuurd. “Zoveel verantwoordelijkheid. Stel je voor dat ik de weg niet kan vinden.”

De leiding van het revalidatiecentrum is blij met de invulling van drie Melkert-banen. Het reguliere personeel heeft het druk; de instroom van nieuwe revalidanten is hoog en in de eerste periode van herstel eisen zij nu eenmaal extra zorg en aandacht. Het revalidatiecentrum en de voormalig werklozen vinden niet dat de Melkert-banen zijn gevuld met overbodig, speciaal gecreërde arbeid. “We doen werk dat blijft liggen of is wegbezuinigd”, meent Van Ooijen beslist. De teamleider knikt. Hij probeert het werk van Van Ooijen zo gevarieerd mogelijk te maken. “Ze mag niet het sloofje van de afdeling worden.” Natuurlijk, zo vervolgt hij, mag Van Ooijen geen taken van de verpleegkundigen overnemen.

Ze zou het misschien wel kunnen. Op haar 27ste besloot Jeanette van Ooijen haar lot in eigen hand te nemen en een opleiding als ziekenverzorger te volgen. Maar ze haakte af - tussen giechelende meisjes van 16 voelde ze zich niet op haar gemak. Het enige diploma dat ze nu bezat, was van de huishoudschool.

Toen sollicitaties op niets uitliepen, besloot ze vrijwilligerswerk te doen. In de jaren die volgden, hield ze de administratie van een vereniging bij, knipte nagels van bejaarden, verzorgde bloemen in het Oudenrijn-ziekenhuis, waar ze eveneens de 'rijdende bibliotheek' beheerde.

Maar ècht werk werd het nooit, zegt ze. “Ik bleef afhankelijk van de sociale dienst. Iedere keer moest ik weer zo'n briefje invullen, weer verantwoording afleggen. Daar krijg je genoeg van. Je bent volwassen, maar de sociale dienst behandelt je als een klein kind.” Haar omgeving begon te morren. Uitkeringstrekkers waren parasieten, profiteurs van de maatschappij. Er was toch genoeg werk te vinden? “Die opmerkingen vraten aan me. Ik vond mezelf geen profiteur, ik solliciteerde en was toch vrijwilliger? Maar die opmerkingen bleven in mijn hoofd hangen.”

Nu werkt ze vijf dagen in de week. Met het ritme van werk heeft ze weinig moeite, ook omdat ze al vrijwilligerswerk deed. Wel is ze moe na een dag. Maar haar onzekerheid verdwijnt langzamerhand.