Meer raï in Nederland dan in Marokko

De mix. Ned.1, 18.56-19.29u.

Surinamers in de Bijlmer spreken beter Surinaams dan Surinamers in Suriname, zegt schrijver Marcel Weltak in De Mix, een vierdelige IKON-serie over wereldmuziek. Dan spelen de Surinamers in de Bijlmer waarschijnlijk ook beter 'kawina'-muziek dan hun verwanten overzee. De Mix gaat over de invloed van in Nederland wonende muzikanten uit Suriname, de Molukken, het Middellandse Zee-gebied (Turkije, Marokko) en Afrika op de Nederlandse popmuziek-cultuur en vice versa. Per aflevering komt een van de verschillende regio's aan bod. De achtergronden van de in Nederland wonende buitenlanders zijn uiteenlopend; tweede generatie Turkse en Marokkaanse jongeren, politieke vluchtelingen uit Zuid-Afrika en Burundi, en de Nederlanders uit Suriname en de Molukken. Maar een ding hebben ze gemeen: ver van huis is het conserveren van de vaderlandse cultuur van levensbelang.

Zo vertelt een Molukse vrouw: “Buitenshuis doe ik mijn best om blank te zijn. Maar ik zou niet weten wat ik moest zonder mijn Molukse wortels.” Bij die wortels hoort muziek, de authentieke Molukse muziek die, zoals we zien in De Mix, gespeeld wordt op feesten en partijen in Nederland. De Surinaamse Tony Scott maakt kawina met de Indiaanse muziekgroep van zijn vader, en Cheb Ashraf uit Marokko speelt raï.

Sommige van de geportretteerde buitenlanders spelen hier samen met Nederlandse muzikanten. In de groep van de Turkse Dilavar Göktas bijvoorbeeld wordt een traditioneel snaarinstrument, de sas, gecombineerd met Nederlandse gitaristen, en de Kuni Kids zingen Nederlandstalige teksten ondersteunt door Afrikaanse ritmes. In die gevallen is volgens de samenstellers van De Mix sprake van 'wederzijdse beïnvloeding', oftewel westerse popmuziekmeets raï, kawina, zulu-jive, etc.

Maar de nadruk die in De Mix wordt gelegd op het onderscheid tussen westerse en exotische muziek is tamelijk kunstmatig. Alsof de jongeren in Suriname, Turkije en Zuid-Afrika niet luisteren naar rap, house of Michael Jackson en er in die landen niet net zo goed 'westerse popmuziek' gemaakt wordt. De muziek die na verhuizing naar Nederland ten gehore wordt gebracht, is een folkloristische versie van de popmuziek thuis. Met die puristische klanken wordt hier vooral de eventuele heimwee bestreden.

Het programma heeft steeds een welwillende toon die de kijkers het idee moet geven dat Nederland 'een grote interculturele smeltkroes' is geworden. De interviewster benadert haar gesprekpartners dus steevast als 'vertegenwoordigers van culturen' in plaats van gewoon als mens of muzikant. Die theoretische aanpak heeft een onbedoeld komisch effect als de leden van een van de 'interraciale bands bij de vraag 'wat er nou leuk is aan al die muzikanten van verschillende culturen in een groep', alleen nog maar onbedaarlijk kunnen lachen, “ja,” zegt er een, “wat ìs daar nou eigenlijk zo leuk aan?!”