Kokosnotencrisis

Biotechnology and Development Monitor. Kwartaalblad, no. 24, september 1995. Te bestellen bij de faculteit Politieke Wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, tel. 020 5252177.

Deze zomer verbouwden Amerikaanse boeren voor het bedrijf Procter & Gamble genetisch gemodificeerd koolzaad met laurinezuur. Laurinezuur, een grondstof voor zepen, zalfjes en medicijnen, komt normaal niet in koolzaad voor. Bedrijven halen het uit ondermeer kokosnoot, dat wordt verbouwd door boeren in de Filippijnen. Maar met het nieuwe ras kunnen ze dit 'tropische' vetzuur dus ook om de hoek halen, bij de Amerikaanse koolzaadboeren. En de vetzuurtechnologie heeft nog meer in petto. Wereldwijd proberen laboratoria goedkope vetzuren om te bouwen tot tropische vetzuren, en schimmels tropische vetzuren te laten produceren. Een bekend verhaal dat zou aantonen dat dit type biotechnologie leidt tot meer armoede en afhankelijkheid in ontwikkelingslanden, is de suikerrietproduktie op het eiland Negros in de Filippijnen. Eind jaren zeventig kon Coca Cola dankzij een nieuwe enzymtechnologie overgaan op zoetstoffen. De suikerrietproduktie stortte in, en de boeren werden werkeloos.

Er is een relatie tussen biotechnologie en armoede, maar deze is niet zo simpel, leert het kwartaalblad Biotechnology and Development Monitor. Monitor besteedde in juni en september aandacht aan de mogelijke gevolgen van de vetzuurtechnologie. De Westerse biotechnologie, betoogt het, is slechts één van de vele factoren die de positie van derde wereldlanden beïnvloedt. Belangrijker zijn de politiek van een land en de internationale handelsafspraken. De kokosnootteelt in de Filipijnen bijvoorbeeld, zit nú al in een enorme crisis. De boeren hebben geen geld voor verbeterde rassen, irrigatie en kunstmest, de verwerkende industrie is ouderwets en de kokospalmen zijn vijftig jaar oud en onproduktief geworden. Als de politici niet meer interesse krijgen in de kokosnoot, zullen de Filippijnse boeren inderdaad de concurrentie met nieuwe laurinezuurbronnen verliezen. Maar als ze wel gaan investeren maken de boeren zeker kans de markt te behouden. Daarnaast is de kokosnootproduktie afhankelijk van prijzen, sociale conflicten, en het weer.

Monitor rekent ook af met het idee dat biotechnologie zich autonoom ontwikkelt. Welke oliën in het laboratorium worden gemaakt en welke gewassen worden veredeld, is ook weer afhankelijk van de politiek. En zo komt de redactie in het septembernummer tot drie scenario's, waarbij ze de EG-politiek als vertrekpunt neemt. De EG moet oliehoudende gewassen importeren. Wat kan er gebeuren? Als de EG kiest voor subsidie op de produktie van oliehoudende gewassen om meer zelfvoorzienend te worden, zullen veredelingsbedrijven oliehoudende gewassen uit de gematigde streken zoals soyabonen, veredelen op laurinezuur. En ze zullen 'eigen' vetzuren veranderen in 'tropische' vetzuren. Dit betekent dat de Latijns-Amerikaanse soyaboeren begunstigd worden; verbeterde soya-rassen en alternatieve soya-bestemmingen komen hen immers ook ten goede. De Filippijnse kokosnootboeren zijn in het nadeel, want hun laurinezuur is niet meer nodig.

Als de EG kiest voor liberalisering van de produktie, heeft dat ongeveer dezelfde gevolgen. Maar als ze kiest voor milieu en duurzame landbouw pakken de gevolgen anders uit. In dat geval opteert de EG voor minder vlees. Bedrijven verliezen hun belangstelling voor soya, omdat ze soya minder kunnen afzetten als veevoer. De EG zal ook minder monocultuur willen, en daarmee zal het omzetten van bulkoliën in tropische oliën niet lonend meer zijn. En zo zal de veredeling zich op ziekte- en pestresistentie richten, in plaats van op laurinezuur. Een duurzaamheidspolitiek betekent dat de Filippijnse kokosboeren zelfs kans maken markt te winnen, vooral als ze zich verzekeren van een 'groen imago'. Latijns-Amerikaanse soyaboeren daarentegen, zullen markt verliezen.

Monitor doet precies wat de naam aan geeft. Het volgt met een wereldwijd netwerk van correspondenten de ontwikkelingen in de biotechnologie, en geeft daar commentaar op. Artikelen gaan over de impact van genetische technieken bij maïs, over patentering, consumentenvoorkeuren, biotechnologie in Japan, India, en de bedrijfstrategie van de multinational Monsanto. Het blad wordt uitgegeven door de vakgroep Politicologie van de Universiteit van Amsterdam en gesubsidieerd door de minister van Ontwikkelingssamenwerking, die graag de effecten van biotechnologie op de Derde Wereld wil weten.

In het septembernummer bracht een Amerikaanse redacteur ook het laatste nieuws over de beroemde tomaat Flavr savr die twee jaar geleden op de Amerikaanse markt kwam, en waarvan de biotechnologie-bedrijven het leven met spanning volgen. Accepteert de consument deze rijpe en daardoor lekkerder maar wel genetisch gemanipuleerde tomaat? Er is nog niet veel van te zeggen. De tomaat wordt pas in 750 supermarkten verkocht. Wel wist de Amerikaanse redacteur dat hij tien procent duurder is dan de gemiddelde tomaat, en dat hij daarom waarschijnlijk niet zo populair is. En hij wist ook dat producent Calgene een behoorlijke strop heeft doordat de rijpe tomaat zoveel butsen oploopt tijdens het vervoer.