Italiaanse telers boos om Nederlands gebruik van citrussubsidie EU

ROME/ROTTERDAM, 2 NOV. Is Nederland na de warme zomer ineens een sinaasappelland geworden? De Europese Unie lijkt te denken van wel, tot grote woede van de Italiaanse boeren.

Nederland wordt er samen met Duitsland en Oostenrijk van beschuldigd van Brussel exportsubsidies te vragen voor citrusvruchten terwijl ze deze niet verbouwen. Net als soms bij melkquota gebeurt, zouden de exportvergunningen met winst worden doorverkocht. Een andere manier om ze te gebruiken is om op de markt sinaasappels en citroenen te kopen en ze, dankzij de exportsubsidie, met winst uit te voeren.

“Het is een schande”, zegt Pino Calcagni, president van de Italiaanse vereniging van citrusexporteurs. De Italiaanse boeren kunnen mede door het Nederlandse optreden veel minder exporteren dan ze hadden verwacht, omdat de koek uit Brussel eerder op is. De EU heeft voor 0,76 procent van de gevraagde hoeveelheid exportsubsidie toegekend voor Italiaanse sinaasappels. Voor de citroenen uit Italië is dat 2,81 procent.

De problemen vloeien voort uit de Uruguay-ronde voor liberalisering van de wereldhandel die op 1 juli van kracht werd. Afgesproken is de exportsubsidies te verminderen. Hierop heeft Brussel een maximum vastgesteld voor november en december. Maar omdat deze exportvergunningen overdraagbaar zijn, hebben ook landen die geen citrusvruchten produceren aanvragen ingediend. Volgens Italiaanse cijfers was subsidie beschikbaar voor ruim dertigduizend ton, terwijl de aanvragen de drie miljoen ton overstegen.

Calcagni zei dat de besluitvorming in Brussel ondoorzichtig is en dat absoluut onduidelijk is op basis waarvan de exportvergunningen zijn verdeeld. Sinaasappels subsidieert Brussel met ongeveer een kwartje per kilo, citroenen met ruim dertig cent.

Voor Italië komen de nieuwe regels extra hard aan, omdat het land voor zijn citrusexport zwaar leunt op de export naar buiten de Unie. Daarbinnen heeft Spanje de leiding. Van de Italiaanse sinaasappels gaat 62 procent naar buiten de EU, van de citroenen 83 procent. Sommige exporteurs zeggen dat zij contracten moeten afzeggen omdat ze de subsidie uit Brussel mislopen.

“Het is een verloren strijd”, zegt Vincenzo De Nicola, directeur van de Unaproa, de grootste associatie van citrustelers. “Nu zijn het de sinaasappels, terwijl het de afgelopen twee maanden ook al de Nederlanders waren die de grootste quota hadden bemachtigd om druiven te exporteren.” Hij pleit ervoor de exportpremies helemaal af te schaffen en het geld te gebruiken voor herstructurering van de citrusmarkt.

Als een bedrijf citrusvruchten via Nederland wil exporteren naar een land buiten de Europese Unie, moet het een exportcertificaat bij het Produktschap voor Groenten en Fruit (PGF) aanvragen. Het schap vraagt daarna via het ministerie van landbouw in Brussel exportsubsidie aan. Als deze wordt toegekend, komt het geld eerst terecht bij het PGF die het geld daarna op de rekening van de exporteur stort.

Een exportcertificaat wordt aangevraagd in het land waarvandaan de vruchten geëxporteerd worden. Als bijvoorbeeld een Italiaanse citrushandelaar zijn citroenen via de Rotterdamse haven wil uitvoeren, komt de aanvraag voor het exportcertificaat bij het Nederlandse produktschap terecht. In Brussel wordt dit gezien als een Nederlandse aanvraag, maar het subsidiegeld wordt door het PGF op de bankrekening van het Italiaanse bedrijf gestort. Overigens komt deze constructie weinig voor. Ook Nederlandse exporteurs kunnen subsidie krijgen. Zij kopen vooral sinaasappelen in Spanje, die daarna geëxporteerd worden. De Nederlander profiteert dan van de subsidie, maar dit voordeel wordt verdisconteerd in de prijs die de citrusproducent voor zijn produkt vraagt. Indirect profiteert dus ook de producent.

Nederland ontving in 1992 nog 3 miljoen gulden EU-subsidie voor citrusexport, in 1993 8 miljoen en vorig jaar 17 miljoen. Die stijging is veroorzaakt door het openstellen van de Oosteuropese markt.