In Liefde Bloeyende

Jacobus Revius (1586-1658)

ANTICHRIST

Wanneer de ruyge sneeu de Alpen niet sal decken

Wanneer de somer heet sal yselen van cou

Wanneer de locht het lant sal weygeren den dou

Wanneer t'gedierte sal de Ocean uutlecken

Wanneer den noorder-pool den seyl-steen niet sal trecken

Wanneer de grijse wolf het schaep sal wesen trou

Wanneer de vrou een man, de man sal sijn een vrou

Wanneer de aerd' haer sal rontom den hemel strecken

Wanneer de son en maan verwisselen haer beurt

Wanneer eens menschen hant die vanden hemel scheurt

Wanneer de Seraphim haer Schepper niet beminnen

Wanneer de Heer sijn cracht en goetheyt derven sal

Wanneer Gods Soon noch eens aent cruyce sterven sal

So sal den Antichrist Gods kinders overwinnen.

't Is een acrobatisch kunstje, het spel dat in dit eenregelige sonnet wordt gespeeld, en 't kan zich beroemen op een hele traditie. Dertien maal wordt er een voorwaarde gesteld die onmogelijk kan worden ingelost en in de veertiende regel - een ware chute - wordt het beeld geschetst van de toestand die zal zijn ingetreden of op het punt staat in te treden zodra aan alle voorwaarden wel is voldaan. Een ondenkbare, verschrikkelijke toestand dus.

Juist bij deze spel-inzet lijkt het kunstje zinvol. In een onwrikbare structuur giet zich een inhoud die over ontwrichting handelt. De zaak zo streng mogelijk aanpakken, als chaos het thema is - het heeft iets. Het maakt het gedicht spannend en het verschaft het spel een artistiek alibi.

Dat laatste klinkt zwaar ethisch, ik weet het. Alsof spel alleen maar deugt als het verantwoord is en gelegitimeerd. Zo is er ook een periode geweest dat bloot in de kunst - of vul in: op de televisie, in de reclame - alleen maar mocht als het 'functioneel bloot' was. Dat was de gulhartigste concessie waartoe de preutse conservatieven en de lieden met koudwatervrees bereid waren. Wie niet voor totaal antiquarisch versleten wilde worden en schoorvoetend met één teen toch de toekomst wilde binnentreden moest verklaren in althans het functionele bloot geen kwaad te zien. Maar bloot om het bloot, zomaar bloot, goeie God! Dan ging de wereld ten onder.

Zo heeft het er nu iets van weg of ik het spel om zomaar het spel als iets inferieurs zou beschouwen, en of het spel alleen maar tot het hogere milieu van de kunst zou mogen worden toegelaten als het functioneel is. Onzin natuurlijk, net als met dat functionele bloot.

Toch zit er iets in. Alleen maar spel kan vervelend worden, net als alleen maar bloot. Er is een situatie denkbaar dat je onbewogen naar een pornofilm zit te kijken, als naar een instructiefilm voor horlogemakers, terwijl je bij het zien van een, zeg maar, geestelijk hooggestemde film enorm opgewonden raakt door een wenkbrauw die omhooggaat of door een haast onhoorbaar knetterende nylonkous.

Maar terug naar het gedicht. Het spel is hier wel degelijk opwindend door het contrast met de ernst van de geschetste nachtmerrie: een wereld waarin de orde volstrekt uit haar voegen zal zijn geraakt, zowel materieel als immaterieel. Onder en boven zullen verwisselbaar zijn geworden, net als goed en kwaad. Niets zal meer onmogelijk zijn, zowel in het wereldbouwwerk als in de ziel. Juist door de gestrengheid en complexiteit van het spel waarmee de dichter zo'n chaos bedwingt roept hij de verpletterende omvang van de chaos en het uiteindelijke schrikbeeld van de slotregel des te sterker op. Ja, er spelen hier zeker meer spelregels mee dan het repetitieve Wanneer... alleen.

Zo spiralen ook de rijmen naar het slot toe. Eerst het octet met maar twee rijmklanken, de slepende, vrouwelijke rijmen werkwoorden en de staande, mannelijke rijmen substantieven, vervolgens het kortere sextet met drie rijmklanken, waarvan de laatste - derven sal, sterven sal - zelfs in dubbelrijm. Het zorgt ervoor dat het slotwoord overwinnen extra geïsoleerd wordt en dus extra benadrukt.

Voorts zit er in de keuze van voorbeelden uit het oeverloze arsenaal van onmogelijkheden een climax. De voorstellingen lijken van allerhande aard. De dieren zullen de oceaan leegslurpen. De magneet zal niet meer reageren. Er zijn in de zichtbare wereld zaken die niet meer samenvallen: Alpen en sneeuw, zomer en warmte. Er zijn regelrechte rolverwisselingen: man wordt vrouw, zon wordt maan. Er zijn in de onzichtbare wereld zaken die niet langer samenvallen: God, gezag en liefde. Maar in grote lijnen is er een climax in de voorstellingen aanwezig die gaat van de klimatologische omstandigheden en de elementen, via de dieren en de mens, naar de hemellichamen - en ten slotte naar de hemel en de goddelijke leer zelf. In de voorlaatste regel verschijnt dan Christus, pal voor de Antichrist zijn intrede doet. Ze botsen als het ware op elkaar. Ik zei het al, de slotregel is een chute in optima forma, een fatale knik, een omslag die al het voorgaande onzichtbaar maakt, als de plakrand van een zelfklevende envelop.

In die voorlaatste regel met dat dubbelrijm sterft Christus nog een keer de kruisdood. De definitieve dood, want voor een tweede opstanding zal het te laat zijn. Maar als Jezus niet langer leeft is ook de Antichrist krachteloos. Wat wil dit voor de hermetische gaafheid van dit gedicht zeggen? Het wil zeggen: zelfs als de Antichrist zou winnen (namelijk zodra aan alle voorwaarden is voldaan) zou hij niet winnen. Want ook de Antichrist en Christus kunnen niet zonder elkaar. De Antichrist wint nooit, ook niet als alle andere onmogelijkheden realiteit zijn geworden. Juist niet als alle onmogelijkheden realiteit zijn geworden. Ronder kan een gedicht niet zijn. Louter spel.