Goed en fout in Srebrenica

HIERDEN. De hel van Srebrenica ligt ver van het boomrijke dorpje Hierden op de Veluwe. Toch probeert mevrouw Tineke Wibaut-Guilonard zich in haar houten buitenhuis het gedrag van Dutchbat in die veroverde Bosnische enclave voor te stellen. Onder de ogen van Nederlandse blauwhelmen zijn duizenden moslims afgevoerd naar Servische executiepelotons. Het woord “fout” neemt oud-verzetsstrijdster Wibaut-Guilonard niet in de mond voor de Nederlandse rol, eerder “naïef”.

Lijsten met gedoemde personen die aan bezettende autoriteiten worden overgedragen, wekken associaties met de Tweede Wereldoorlog. Dutchbat overhandigde een lijst van gewonde moslims in het ziekenhuis aan de Serviërs. Het moslimpersoneel in het kamp kreeg van de militairen een vrijgeleide. Alle andere moslims waren gedoemd. De pogingen van een VN-tolk om familieleden op de vrijgeleidelijst te krijgen, stuitten op bureaucratische onverzettelijkheid, zodat ze met dwang uit het kamp werden gezet en totnogtoe zijn vermist. Blauwhelmen hielpen bij het op transport zetten van de moslims, vervoerden moslim-gewonden naar de Serviërs en vluchtten in een dodelijke pantserwagenstampede zonder op het Rode Kruis te wachten.

De gretige samenwerking van de Nederlandse militairen met de Servische etnische zuiveraars doet denken aan de coöperatieve houding van het ambtelijke apparaat ten tijde van de bezetting in de Tweede Wereldoorlog. Op die parallel met vroeger komen oud-verzetsstrijders het meeste terug. “Ze zagen hun wederpartij als serieuze partner, terwijl het eigenlijk een criminele bende was”, zegt de mede-oprichter van de voormalige verzetskrant Het Parool, drs. Wim van Norden. “Bij dat beeld van de toast tussen Overste Karremans en generaal Mladic stokte me de adem in de keel.”

Wanneer en hoe moet er verzet worden gepleegd als de horden binnenvallen? De geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog heeft daar een uitgebreide casuïstiek voor opgebouwd. De Nederlandse termen 'goed' en 'fout' slaan niet meer op christelijke deugden of zonden, maar zijn overdrachtelijke kwalificaties van gedrag tijdens de oorlog. Het standaardwerk van dr. Lou de Jong hebben de statenbijbel verdrongen als nationale ethische encyclopedie. Verzetsstrijders hebben indertijd hun leven gewaagd om de terreur te weerstreven en staan daarom aan de top van de nationale, morele piramide. Alle na-oorlogse Nederlanders hebben zich wel eens afgevraagd hoe zij zich in zulke gevaarlijke omstandigheden zouden hebben gedragen.

Verzetsstrijders zagen hun activiteiten als hun morele plicht. Dat werpt de vraag op of de meerderheid die zich om haar eigen hachje bekommerde, daarmee moreel failliet was. Is iedereen bij overweldigende vijandelijke overmacht gehouden tot uitzonderlijke heldendaden? Wibaut-Guilonard is daar mild over. Zij kon indertijd wel begrijpen dat niet iedereen in het kleinbehuisde Nederland in staat was om onderduikers op te nemen.

Zij zelf was van de kwaadaardigheid van de toenmalige bezetter doordrongen door haar vader die bij toeval tijdens de Kristallnacht in Duitsland vertoefde. De verwijdering van joodse leerlingen uit het Amsterdams Lyceum deed haar besluiten om mee te doen aan de illegaliteit. Toen joden later naar Duitsland werden gedeporteerd, geloofde ze het propagandaverhaal niet dat ze “uit werken” gingen. Ze hielp met het vervalsen van persoonsbewijzen, zocht onderduikadressen en sloot zich later zelfs aan bij het gewapend verzet, waarna ze werd gearresteerd. Haar gedrag werd weliswaar bepaald door haar morele overtuiging, maar verder is “inzicht verschrikkelijk belangrijk”, vindt ze. “Je moet het verstandige doen.” Maar daarbij speelt geluk ook een rol.

De Nederlandse uitzending naar Srebrenica stoelde vooral op moraal, niet op inzicht. Wibaut-Guilonard heeft Joegoslaven in het Poolse werkkamp leren kennen. Na de oorlog is zij vaak naar Joegoslavië gereisd en zij was geschokt door de haat tussen de bevolkingsgroepen. “Het was een onzinnige gedachte dat vriendelijke, nauwelijks bewapende blauwhelmen daar orde op zaken zouden kunnen stellen”, zegt ze. “Je stuurt mensen die niets weten en die krijgen dan de kous op hun kop.”

Als burgemeester van Amsterdam heeft drs. Ed van Thijn bij dodenherdenkingen vaak gezegd dat de massaslachtingen van de Tweede Wereldoorlog zich “nooit meer” zouden herhalen. In zijn boekje Nog één nacht slapen; vijftig jaar bevrijding stelt hij vast dat, anders dan tijdens het interbellum, “daden van racistisch geweld ook een storm van protest teweegbrengen”.

Protest is gekomen op de etnische zuiveringen in voormalig Joegoslavië. Op het punt van demonstraties en preken is Nederland geslaagd. De daarop volgende humanitaire operatie in Srebrenica is ook gelukt, maar daarbij is de patiënt gestorven. Dutchbat heeft het er heelhuids afgebracht, maar veel moslims niet. Nederlandse ministers en Kamerleden hadden zich misrekend op dit soort vredeshandhaving tijdens een oorlog. De VN heeft Dutchbat vervolgens laten stikken.

De Nederlandse blauwhelmen gedroegen zich in deze erbarmelijke omstandigheden op zijn zachtst gezegd naïef. Slechts enkelen waren helden. De krijgsmacht is dan ook niet anders dan de Nederlandse bevolking. Die heeft veel over de Tweede Wereldoorlog gehoord, maar er weinig van geleerd. In extreme omstandigheden vervalt zij tot vertrouwde activiteiten, het administreren van lijsten, het tot consensus komen met een bezetter.

Inzicht valt misschien niet te leren, omdat oorlog gelukkig een uitzondering is. “Wat moeten we onder een bezetting doen?”, vragen scholieren bij spreekbeurten van mevrouw Wibaut-Guilonard over de jaren '40-'45. Die vraag kan ze niet gemakkelijk beantwoorden. Zelfs de Joodse Raad dacht in de oorlog levens te sparen door lijsten aan te leggen.

De moslim-enclave Srebrenica is begonnen als een daad van verzet tegen racisme, maar ontaardde in een nieuwe tragedie in de Hollandse Schouwburg. Dat is een ontnuchterende gedachte in het 50e jubileumjaar van de bevrijding.