Een kwestie van vertrouwen

Hoe genadeloos het politieke bedrijf kan zijn, heeft minister Sorgdrager van justitie afgelopen dinsdag in de Tweede Kamer mogen ervaren. Daar stond ze, moederziel alleen in de dan opeens wel erg grote 'bak' van waaruit ministers hun beleid tegenover de Kamer dienen te verdedigen. De leegte valt nog zwaarder als er nauwelijks iets te verdedigen valt. Dat was bij Sorgdrager in de kwestie van de afvloeiingsregeling van procureur-generaal Van Randwijck duidelijk het geval. Haar antwoord in tweede termijn was ronduit slecht en op zo'n moment laten parlementariërs zich van hun meest onbarmhartige kant zien: rijvorming voor de interruptiemicrofoons. Het leidde tot nog meer gestamel van de minister. Steeds verder zakte zij weg; niemand in de buurt om haar te helpen, niemand om haar te redden.

Had het anders gekund? Het is een typische achteraf-vraag. Natuurlijk had een collega-minister met de politiek nog onervaren Sorgdrager kunnen meekomen. Niets was er op tegen geweest wanneer vice-premier en minister van binnenlandse zaken Dijkstal (in die laatste hoedanigheid belast met ambtenarenzaken) naast haar had plaatsgenomen. Maar dat zou ongetwijfeld als een teken van zwakte van Sorgdrager zijn uitgelegd. Eén van de kritiekpunten op haar in de 'Van gouden Randwijck-affaire' was nu juist dat zij in deze gevoelige zaak te veel op eigen houtje had geopereerd. Het maakt geen sterke indruk om dan, als daarvoor verantwoording moet worden afgelegd, opeens wel een andere minister mee te nemen.

Hadden Sorgdragers' politieke vrienden in de D66-fractie haar dan in het debat meer moeten bijstaan? Een feit is dat fractievoorzitter Wolffensperger helemaal niets ondernam toen minister Sorgdrager in het debat steeds meer vaste grond onder de voeten kwijtraakte. Getuige zijn erkenning gisteren dat hij tijdens het debat fouten had gemaakt, blijkt Wolffenspergers' passieve gedrag van een dag eerder echter een onbedoelde ultieme vorm van dualisme te zijn geweest.

Jammer. Want dit betekent eigenlijk dat als het de omgangsvormen tussen parlement en regering betreft 'paars' helemaal niet zo anders is. Zodra het functioneren van een minister maar even in het geding komt, treden ook in de volgens eigen zeggen vernieuwende coalitie alle even vertrouwde als krampachtige mechanismen in werking. Het waren uitgerekend de politici van D66 die zich tijdens het bizarre debat over de afvloeiingsregeling van procureur-generaal Van Randwijck hieraan bezondigden.

Het gaat in wezen om de vraag of de Tweede Kamer het recht heeft een kritisch oordeel te vellen over een bewindspersoon zonder dat dit direct tot grote politieke schade leidt. Als het probleem niet speelt zijn bijna alle politici het erover eens dat dit moet kunnen. Ferme taal wordt er dan gesproken over 'hard' zijn. Sterker nog, 'brekebenen' in een kabinet, ook al zijn het partijgenoten, zullen niet worden getolereerd. Maar eenmaal gezeten op het felbegeerde pluche wordt de zaak heel anders bekeken. Geen lijm zo stevig als de lijm waarmee Nederlandse ministers aan hun zetel vast zitten. Zelfs wijzen naar een minister wordt dan al beschouwd als een ondermijnende daad.

Dit laatste was deze week aan de orde bij het debat in de Kamer met minister Sorgdrager. Op één stem na was de gehele Tweede Kamer van oordeel dat de riante afvloeiingsregeling die zij met Van Randwijck trof, niet tot stand had behoren te komen. De vraag is of regeringsfracties dit kunnen uitspreken zonder de minister politiek te beschadigen. Nu is dit vanzelfsprekend een uiterst diffuus begrip. Elke aanmerking op een minister is strikt genomen een politieke beschadiging. Een oppositie die haar taak naar behoren uitvoert, zal niet nalaten dit ook te benadrukken. Maar er is tevens de aloude regel die zegt dat een minister het vertrouwen van de Kamer geniet totdat het tegendeel wordt uitgesproken. Tussen een minister iets aanrekenen en het vertrouwen in een minister opzeggen ligt een groot grijs gebied. De minister kan verder functioneren, maar hoe?

Dat hangt in de eerste plaats van de betrokkene af. Hoe vat hij of zij de uitspraak van de Kamer op? Tot op de dag van vandaag beweert de gewezen fractievoorzitter van de KVP, Norbert Schmelzer, dat hij met zijn beruchte motie in de nacht van 13 oktober 1966, niet uit was op de val van het kabinet-Cals. Maar Cals interpreteerde de motie wel op die manier en diende het ontslag in van zijn kabinet nadat de motie was aangenomen. Aan die motie was dan ook een al maandenlang slepend politiek meningsverschil voorafgegaan.

Sinds minister Van Aardenne als gevolg van de RSV-enquête politiek beschadigd werd, wordt de term 'aangeschoten wild' gebruikt. Hier was het zijn omgeving die er op wees dat hij als gevolg van zijn politieke 'veroordeling' niet meer volop kon functioneren. Zelf heeft Van Aardenne dat overigens nooit zo ervaren.

Het was het onterechte schrikbeeld van minister Sorgdrager om, na aanvaarding van de motie van de drie regeringspartijen waarin een negatief oordeel werd uitgesproken over de afvloeiingsregeling voor Van Randwijck, als aangeschoten wild verder door het politieke leven te moeten. Maar zij vergat daarbij dat een minister pas in die positie verkeert als anderen, in dit geval de regeringsfracties, haar daadwerkelijk als aangeschoten wild beschouwen.

Het veilige alternatief is dat een Tweede Kamer niets uitspreekt om daardoor ook maar de schijn van enige politieke schade te vermijden. In de kwestie-Van Randwijck zou dit hebben betekend dat de regeringsfracties tijdens het debat wel van alles hadden mogen roepen, maar hun kritiek uiteindelijk niet in een motie hadden mogen vastleggen. Maar waarom dan nog een debat gevoerd?

Een volwassen democratie vraagt om verantwoordelijke politici die verantwoording afleggen tegenover een parlement dat daarover vervolgens een oordeel kan geven. De democratie vervalt echter in een schimmenspel als de verantwoordelijken deze normale taakuitoefening vertroebelen door hier direct de vertrouwensvraag aan te verbinden. Pavlov heeft er voor gezorgd dat elk woord van kritiek van een regeringsfractie op een bewindspersoon wordt uitgelegd als een beschadigingsactie. Onfrisse taferelen zoals die deze week in de Tweede Kamer waren te zien zijn het gevolg van deze politieke spasticiteit.

Als angst het leidende beginsel wordt, kunnen politici heel lang blijven zitten. Zij mogen zich dan beroepen op onbeperkt vertrouwen in het parlement. Maar wel ten koste van het vertrouwen in de samenleving.