Dure veeboeren (2)

E.J. Bomhoff maakt het met de eerste zin van zijn artikel over 'Onze dure veeboeren' (NRC Handelsblad, 23 oktober), helaas wat moeilijk om de rest van zijn betoog serieus te nemen. “Bijna zestig procent van het totale oppervlak van Nederland is nodig om slechts 4,5 procent van het nationaal produkt voort te brengen en daar is bovendien negen miljard per jaar aan subsidies voor nodig”. Waarom drukt de heer Bomhoff ons nationale produkt niet in een absoluut cijfer uit? Dan zou direct duidelijk zijn dat, bij een 1994-BNP van ruim 600 miljard, die 4,5 procent altijd nog rond 28 miljard beloopt.

Mag men een bedrijfstak, die 28 miljard produceert met 9 miljard subsidie, zonder meer een “onrendabele sector” en een “marginale” activiteit noemen? Een subsidie die deels toch ook nog door de Europese Unie wordt betaald? Doen andere bedrijfstakken (wel of niet gesubsidieerd) het per definitie beter? Wat is daar het vergelijkbare rendement? En is de economische schade, die onze veeteelt volgens de schrijver aan het milieu toebrengt, verhoudingsgewijs groter dan die, welke door andere bedrijfstakken wordt veroorzaakt, resp. zou worden veroorzaakt als die de plaats van de veeteelt zouden innemen? Zo komt Bomhoff's aanhef, schijnbaar zakelijk en nuchter geformuleerd, bij kritische beschouwing jammer genoeg over als niet meer dan een statistische truc om de lezer bij voorbaat tegen “onze dure veeboeren” in te nemen. Aan de vroegere Nederlandse Economische Hogeschool kwalificeerde prof. Goudriaan indertijd een dergelijke betoogtrant als “economie op de koffiezak”. Het toekomstige lot van onze veeteelt verdient een meer serieuze benadering.