De avondbul

De gepromoveerde leraar is een steeds zeldzamer fenomeen binnen het VWO en veel leraren hebben nauwelijks nog een band met de wetenschap. Door de grotere werkdruk is het voor docenten moeilijker geworden om promotie-onderzoek te doen.

In de gang van het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam hangt een plaquette met de namen van alle rectoren in de 667-jarige geschiedenis van de school. Het is een lange reeks van doctortitels. De herinneringen van een oud-leerling uit het begin van deze eeuw sluiten hierbij keurig aan: 'Onze rector, dr. S.J. Warren, zat als een oude Egyptenaar (-) in zijn Pharaonengraf, verliet dat als hij ergens les moest geven en keerde daarna haastig terug naar zijn edities, conjecturen en amendaties, waarvan de Anabasis van Cobet die wij gebruikten een voorbeeld was: Editio Quarta, quam curavit S.J. Warren stond er voorin. (-) De praeceptores leefden ván ons (-) maar ze leefden vóór hun wetenschappelijk werk.'

'Bijna het hele lerarencorps was toen gepromoveerd,' zegt dr. Leo Molenaar, docent scheikunde aan het Erasmiaans en bezig met een boek over de moderne geschiedenis van de school. Nu vormt hij met zijn doctorstitel een uitzondering, evenals Frank Müller, leraar klassieke talen aan het St. Vitus College in Bussum, en Jan van Maanen, docent geschiedenis van de wiskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar bij zijn promotie acht jaar geleden nog leraar wiskunde aan het Christelijk Gymnasium in Utrecht.

Leraren die naast hun werk promotie-onderzoek doen, vormen volgens de KNAW zoiets als een bedreigde soort, want 'in Nederland', zo signaleerde eerder dit jaar een KNAW-commissie ad hoc lerarenopleiding, 'komen ze vrijwel niet meer voor.' De commissie, die zich bij zijn onderzoek beperkte tot de ontwikkelingen in het onderwijs in de exacte vakken, constateerde dat in het algemeen gesproken het aantal universitair geschoolde leraren drastisch dreigt te verminderen. Vroeger, toen de studenten nog tijdens hun doctoraalfase de lesbevoegdheid konden halen, was er een reservoir van eerstegraads leraren. Maar terwijl de oude academische garde binnenkort met pensioen gaat, dreigt er nu een tekort te ontstaan. In zijn rapport 'Het belang van universitair gevormde docenten in het VWO ' constateert de commissie dat, sinds afgestudeerden nog een heel jaar de tweede fase lerarenopleiding moeten volgen, nog maar tien procent van de natuurkundigen en biologen en amper zeven procent van de scheikundigen een lesbevoegdheid haalt. Exacte cijfers over het aantal leraren die willen promoveren zijn niet voorhanden. De KNAW-commissie, onder voorzitterschap van professor E. van den Heuvel, ging af op eigen waarneming. 'Ik heb de afgelopen tien jaar één promovendus gehad die leraar was,' zegt Van den Heuvel.

Müller, Molenaar en Van Maanen hebben geen bewuste keuze gemaakt voor een baan als leraar. Ze raakten al tijdens hun studie in het onderwijs verzeild. Leraar was toen nog een eerzaam beroep. Maar er is de laatste jaren in het onderwijs meer gebeurd dan de benoeming van een doctorandus tot rector van het Erasmiaans. 'Het salaris voor beginnende leraren is verminderd en de werkdruk is groter geworden,' zegt Walter Dresscher, voorzitter van het NGL. 'Vroeger had je een volledige betrekking als je 26 uur lesgaf, nu moet je 28 uur geven. De klassen zijn groter geworden en de schoolleidingen hechten steeds meer waarde aan deelname aan buitenschoolse activiteiten. Promoveren wordt zo niet erg aantrekkelijk.'

Geld

Van Maanen, Müller en Molenaar zagen ook nog eens dat het ministerie van onderwijs ruim tien jaar geleden de salarisverhoging schrapte die onder andere aan een promotie vastzat. Geld was dan ook voor geen van drieën een drijfveer. Jan van Maanen merkte dat hij naast zijn deeltijdbaan als leraar tijd over had. 'Ik ben naar mijn vroegere scriptiebegeleider aan de Universiteit Utrecht gestapt met de vraag of hij iets voor mij te doen had.' Het begon met één artikel over de 17-de eeuwse geschiedenis van de wiskunde in Nederland. Pas toen er nog een artikel volgde, ontstond het idee om op het onderwerp te promoveren. Frank Müller stuitte tijdens zijn studie Klassieke Talen en Klassieke Archeologie op een onderwerp dat hij 'zo mooi' vond dat hij 'het voor zichzelf wilde houden'. Hij werkte zelfs enige jaren met een beurs aan een nieuwe interpretatie van de afbeeldingen op een Romeinse sarcofaag, maar zag zich, toen zijn beurs al voor de afronding van zijn onderzoek was afgelopen, genoodzaakt onderzoek en lesgeven te combineren.

Leo Molenaar had een andere reden om te promoveren: 'Ik wilde me bewijzen.' Hij maakte gebruik van het recht dat iemand met een academische titel in het vakgebied van zijn keuze mag promoveren. Hij vond in Piet de Rooy, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, de promotor voor zijn onderzoek naar Het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers, een groep wetenschappers die zich vlak na de Tweede Wereldoorlog verenigden in hun zorg over mogelijk misbruik van de wetenschap.

'Ik kijk of ik iemand wat kan leren en of het onderwerp mij aanspreekt,' verklaart De Rooy zijn bereidheid om Molenaar te begeleiden. 'Ik heb geen voorkeur voor zogenaamde buiten-promovendi als Molenaar. Door hun levenservaring zijn het soms betere gesprekspartners dan de doorsnee aio, maar ze kunnen ook eigenwijzer zijn. Ik houd wel van de traditie van promoverende leraren, ze zijn niet vastgeroest.'

Promoveren betekende voor de leraren dat ze tijd moesten vrijmaken voor onderzoek door minder uren te geven, in de avonduren te werken of vakanties op te offeren. 'Je riskeert dat je op school een buitenbeentje wordt, want onwillekeurig onttrek je je aan allerlei sociale activiteiten', zegt Molenaar.

'Discipline en planning', daar gaat het volgens Van Maanen om. 'Als mijn collega's naar een terrasje gingen, stapte ik op mijn fiets naar de universiteit.' Van Maanen beklaagt zich niet over de medewerking van zijn school. 'Ik kreeg bijvoorbeeld de gelegenheid om congressen te bezoeken.' Müller is tevreden dat zijn school hem in staat stelde een sabbatical year op te nemen om na zijn promotie in 1987 twee boeken af te ronden die verband hielden met zijn onderzoek. Molenaar is kritischer, het stoort hem dat leraren die willen promoveren afhankelijk zijn van de welwillendheid van hun school en dat er officieel niets is geregeld. 'Het Erasmiaans is een gemeentelijke school en daarom heb ik bij de gemeente gevraagd of er geen regeling bestond voor een financiële compensatie voor het aantal uren dat ik minder wilde werken. Het bevoegd gezag was met stomheid geslagen door deze vraag. Dat vind ik veelzeggend.' Hier en daar bleek er voor ieder van de drie toch geld te zijn om al te grote financiële aderlatingen te compenseren. Van Maanen geprofiteerde van 'een potje aan de universiteit dat voor het einde van een jaar nog snel op moest'; een bijdrage van de Utopa Foundation maakte het Müller mogelijk zich een jaar in Rome terug te trekken en Molenaar ontving een subsidie van NWO. 'Maar', vertelt Molenaar, 'dat ging wel gepaard met de nodige verwikkelingen. Ik kreeg bijvoorbeeld een keuringsoproep, omdat ik officieel gesproken vier maanden medewerker van NWO zou worden. Volgens de regels zou ik dan geen les geven, maar zoiets is op een school niet te regelen. Ik stelde toen voor om één schooljaar geen eenentwintig, maar acht uur per week les te geven en de subsidie over het hele jaar uit te smeren. Door de bureaucratie bleek dat pas na ruzie en veel heen en weer gepraat mogelijk.'

Zorgwekkende situatie

Molenaar vindt dat er sprake is van een zorgwekkende situatie. 'Hoe kun je spreken van Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs als de leraren zelf geen enkele binding meer met de wetenschap hebben.' De KNAW trekt in dit verband in zijn rapport de vergelijking met België, waar een academische vooropleiding verplicht is voor leraren in de laatste twee jaren van het VWO.

'We kunnen het ons niet veroorloven om als hoogwaardig kennisland duidelijk onder te doen voor onze buurlanden,' aldus het rapport. Molenaar, in zijn studietijd een bekend actievoerder en later actief voor de CPN en Groen Links, ziet een taak voor de overheid. 'Ik zeg niet dat alle leraren moeten promoveren, maar wie wil moet gestimuleerd worden, bijvoorbeeld door de mogelijkheid tot een sabbatical year. In dat jaar kan op die plaats een jonge docent ervaring opdoen. Bovendien zullen veel gepromoveerden doorstromen naar de universiteit.' (Van Maanen en Müller zijn hiervan het bewijs: Van Maanen is nu verbonden aan de RUG en Müller geeft nog maar drie dagen per week les op school en doceert de andere twee dagen klassieke mythologie bij de vakgroep Griekse en Latijnse Taal en Cultuur aan de Katholieke Universiteit Nijmegen).

Ook bij de NGL en de KNAW leven ideeën voor verbetering van de situatie. 'We denken aan uitwisselingsprojecten tussen scholen en universiteiten, waarbij universitaire docenten gastlessen geven,' aldus NGL-voorzitter Walter Dresscher. Volgens de KNAW zou het leraarschap voor academici aantrekkelijker gemaakt kunnen worden door onder andere verkleining van de klassen en vermindering van lesuren. Ten slotte pleit de KNAW voor de invoering van een lerarenopleiding voor aio's en eio's. Hierdoor zou in één klap het aantal universitair geschoolde en gepromoveerde leraren toenemen.

Allen zijn zich er van bewust dat dit geld kost, 'maar', zegt het KNAW-rapport, 'tegenwoordig moeten vrijwel alle leraren omstreeks hun 55ste een beroep doen op de WAO of met vervroegde uittreding het onderwijs verlaten. Dit is ook kostbaar en er is geen sprake van een effectieve aanpak van dit probleem.'

Wat is de reactie van het ministerie van onderwijs? 'Alles, inclusief het KNAW-rapport, wordt meegenomen in het overleg over bevoegdheden en beroepsprofielen in het voortgezet onderwijs - dan zijn we al snel driekwart jaar verder.'

Leraren met wetenschappelijke ambities moeten het voorlopig dus nog stellen met 'artikel 1-C33, aangaande het lang buitengewoon verlof mede in het algemeen belang': betaald verlof is alleen mogelijk gedurende de laatste twee maanden vóór de promotie.