Bodemvervuiling (3)

Het artikel 'Van bodemvervuiling is nog nooit iemand ziek geworden' van Joost van Kasteren (W&O 19 okt.) illustreert op treffende wijze de kloof tussen wetenschap en publieke opinie, als het over milieu-problematiek gaat. De geïnterviewde directeur van het Europese Centrum voor Milieu & Gezondheid van de WHO, Kees van der Heijden, doet een ferme uithaal naar meldpuntennetwerken waar klachten van burgers over milieu-verontreiniging worden verzameld. Die zouden zich maar met 'keukentafel-epidemiologie' bezighouden.

Zijn uitspraak 'van bodemverontreiniging is nog nooit iemand ziek geworden' suggereert ten onrechte dat het met de effecten van milieu-vervuiling op de gezondheid wel meevalt. Bij nadere lezing van het stuk blijkt dat die uitspraak echter alleen opgaat voor bodem-vervuiling, en dan ook nog eens alleen voor sterfte of medisch aangetoonde ziekte, die grootschalig genoeg is om opgemerkt te kunnen worden in de landelijke of regionale statistiek. Bij het bepalen van de ernst en de betekenis van gezondheids-effecten van milieu-verontreiniging spelen echter nog andere factoren een rol, die in het betoog van Van der Heijden helaas buiten beschouwing blijven.

In het verschil tussen door een arts geobjectiveerde en door de patiënt-zelf beleefde ziekte toont zich de tegenstelling tussen 'wetenschap' en 'publieke perceptie'. In eerste instantie is het de patiënt die bepaalt of hij ziek is en naar de dokter moet, ongeacht de uiteindelije diagnose. In de omgeving van Tsjernobyl zijn vele mensen die zich ziek voelen door de ramp, ook al zijn volgens de epidemiologen de gevolgen van de straling beperkt. Zelfs al wordt de diagnose 'stralingsziekte' niet door een arts bevestigd, toch zijn die gezondheidsklachten een wezenlijke factor, waarmee rekening gehouden dient te worden. Niet alleen vanwege de financiële en economische consequenties, maar ook in positieve zin, vanwege de signaalfunctie die ervan uitgaat. Dezelfde angst die allerlei gezondheidsklachten veroorzaakt, zet tevens tal van belangrijke maatschappelijke processen in beweging, zoals een heroverweging van de veiligheidsnormen van kerncentrales of verhoging van de strafmaat voor milieu-delicten.

Het is niet eenvoudig te bepalen wat de rol van de wetenschap zou moeten of kunnen zijn in het bestrijden van die angst. Met het artikel lijkt Van der Heijden de massa-hysterie rondom bodemverontreiniging te willen relativeren. Inderdaad verdienen in West-Europa roken, verkeer en zonnebaden als milieu-factoren waarschijnlijk grotere prioriteit, dan bodemverontreiniging. Maar met het doen van ongenuanceerde uitspraken, zoals in de kop van het artikel, die suggereert dat er niets aan de hand is, zijn wij aangeland op het niveau van het beïnvloeden van de publieke opinie, hetzelfde niveau als de door Van der Heijden zo verfoeide 'keukentafel-epidemiologie'. Misschien kunnen we deze variant ter contrast 'salontafel-epidemiologie' noemen.

Zo'n discussie tussen keukentafel en salontafel is natuurlijk wel nuttig, want daaruit moet uiteindelijk de besluitvorming voortvloeien. Hoeveel gezondheids-risico zijn we bereid te accepteren en waar is het punt bereikt dat we actie gaan ondernemen? Naar mijn mening is het weinig zinvol om in die discussie de klachten van de mensen, die aan milieu-verontreiniging zijn blootgesteld, als ongegrond of overdreven af te doen.

Voor de publieke perceptie van de gezondheids-effecten van een ramp als 'Tsjernobyl', maar ook 'Lekkerkerk', is vooral de reeds genoemde 'signaal-functie' belangrijk. Deze hangt nauw samen met de waarde die wij aan ons milieu hechten. Het gaat per slot van rekening om onze gezondheid en uiteindelijk om onze overleving. Iedere aanwijzing voor schade op dit terrein wordt opgevat als een voorbode of waarschuwing voor het veel ergere dat nog kan komen.