Zwickel leider van tobbende Duitse vakbond IG Metall

BONN, 1 NOV. Met zeer grote meerderheid is Klaus Zwickel gisteren herkozen als voorzitter van de Duitse vakbond IG Metall. Op een meerdaags congres van de grootste afzonderlijke vakbond ter wereld haalde de 56-jarige Zwickel 92,4 procent van de stemmen. Twee jaar geleden, toen hij aantrad als opvolger van de wegens handel met voorkennis in aandelen teruggetreden Franz Steinkühler, kreeg hij 9,1 procent.

Ondervoorzitter Walter Riester (52), die door de Duitse metaalwerkgevers wel is gekritiseerd als de architect van de afgelopen voorjaar afgesloten, volgens hen “te dure” nieuwe CAO, moest een veer laten. Hij werd herkozen met 79,8 procent, 8,7 procent minder dan twee jaar geleden.

Dramatisch laag scoorde de penningmeester van de bond, Werner Schreiber, met een percentage van 48,3. Hij wordt verantwoordelijk geacht voor de pijnlijke onroerend-goedstrop die de IG Metall heeft geleden en die begin deze week bekend werd. Namelijk door een artikel van het weekblad Der Spiegel, waaruit bleek dat de bond in Frankfurt 27 miljoen mark heeft verspeeld door een pand te huren en zeven jaar huur vooruit te betalen, hoewel dat pand niet zal worden betrokken.

Voor opschudding hadden ook berichten gezorgd dat IG Metall bij deze transactie, maar ook bij haar beleggingsactiviteiten, ongewoon veel geld aan courtage en provisie heeft betaald, soms ook aan dubieuze tussenpersonen. Zwickel beloofde het congres een onderzoek. Mocht er geld naar functionarissen van de bond zijn gegaan, dan zullen die worden ontslagen, verzekerde hij.

De stemming op het congres van de IG Metall, die maandelijks 10.000 leden zou verliezen, raakte gisteren verder in mineur tijdens een fel debat over de duur van de werkweek. Zwickel kritiseerde voorstellen om de 30-urige werkweek als doelstelling te kiezen en daarmee naar een betere verdeling van beschikbaar werk te streven. Zulke, veelal uit “oude kaders” van zijn bond gekomen voorstellen acht Zwickel niet goed passen bij de economische toestand waarin Duitsland zich bevindt.

Volgens hem moet eerst meer ervaring worden opgedaan met de 35-urige werkweek, die nog niet overal in de Duitse metaal effectief is. Kritiek op de invoering van “urenrekeningen” die, zoals bij Volkswagen, in drukke produktietijden worden opgebouwd om minder werken tijdens flauwtes te compenseren, wees Zwickel af. Die systematiek is nuttig, al valt op lange termijn niet aan verdere werktijdverkorting te ontkomen, zei hij.

Over de vraag of Duitsland door zijn hoge lonen, korte werktijden, dure sociale voorzieningen en zijn harde D-mark niet steeds meer als produktie- en exportstaat wordt bedreigd is intussen een hevig debat ontbrand tussen de overkoepelende vakbond DGB en het Verbond van Duitse industriële bedrijven (BDI). Volgens BDI-voorzitter Hans-Olaf Henkel is er sinds 1990 niet alleen een steeds grotere Duitse kapitaalvlucht naar het buitenland, onder meer voor investeringen in goedkopere produktielanden, maar zijn er in de Bondsrepubliek ook netto 300.000 banen verloren gegaan.

De afgelopen vijf jaar hebben Duitse bedrijven voor 80 miljard mark meer geïnvesteerd in het buitenland dan door buitenlandse bedrijven in Duitsland. Het BDI stelt de kosten van een nieuwe arbeidsplaats in eigen land op gemiddeld 250.000 mark en komt op grond daarvan tot een “banenexport” van 300.000. Het noemt Duitsland daarom “'s werelds grootste exporteur van arbeidsplaatsen” en heeft de vakbeweging opgeroepen om mee te werken deze ontwikkeling te helpen remmen.

De DGB heeft op deze oproep gereageerd met het woedende verwijt dat het BDI aan “manipulatie” doet om de Duitse werknemers bang te maken. Meer dan netto 75.000 banen zijn er sinds 1990 niet verloren gegaan, heeft DGB-bestuurslid Michael Geuenich becijferd. Volgens de DGB moeten de Duitse investeringen in het buitenland voor de helft worden gezien als puur-financiële investeringen waarmee geen enkele baan gemoeid is, terwijl sommige investeringen in derde landen bovendien tot extra banen in Duitsland zelf leiden. De DGB-kritiek op de BDI-calculaties kwam in mildere vorm trouwens ook voor in het jaarlijkse herfstrapport dat de zes grote Duitse economische instituten kort geleden publiceerden.