'Universiteit moet universum dienen'

De bewindslieden van het kabinet-Kok verdedigen hun begroting in de Tweede Kamer. Hoe oordelen oud-ministers over het beleid van hun opvolger? De anti-revolutionair Diepenhorst, minister van onderwijs in het midden van de jaren zestig, neemt het beleid van minister Ritzen (PvdA) onder de loep.

ZEIST, 1 NOV. I.A. Diepenhorst, minister van onderwijs in de kabinetten-Cals (1965-1966) en Zijlstra (1966-1967) heeft enige zorgen over de studenten van tegenwoordig. Opgejaagd door de tempobeurs en geanonimiseerd door het massaonderwijs, dreigt hen ook nog eens de belangrijkste verworvenheid uit de jaren zestig te ontvallen: de medezeggenschap. “In de jaren zestig heeft men democratisering van het hoger onderwijs gewild”, bast Diepenhorst met zijn karakteristieke dictie. “Dat men nu studenten geheel en al buitenspel wil zetten tegenover de besturen der faculteiten, baart mij zorgen, al klinkt dat uit mijn mond misschien wat vreemd”.

Men denkt in eerste instantie niet aan Diepenhorst als verdediger van een erfstuk van de jaren zestig. De 79-jarige anti-revolutionair zelf ook niet. Daarvoor heeft de oud-minister en oud-senator voor het CDA te veel begrip voor de huidige problemen waarmee recente bewindslieden van onderwijs moeten worstelen. Toch waarschuwt hij dat in het huidige onderwijsbeleid sommige zaken ondergesneeuwd dreigen te raken die onder meer in de jaren zestig zijn bevochten. Zo beklemtoont Diepenhorst de noodzaak van persoonlijke aandacht van de professor voor de student, zodat ook “de intelligente dwaling beloond kan worden”. Die wordt nu genadeloos afgestraft in de multiple choice van de massa-tentamens. Ook vraagt Diepenhorst aandacht voor de financiële steun voor de “begaafde maar onbemiddelde” deelnemer aan het hoger onderwijs die door de voortgaande bezuiningen op het beurzenstelsel in gevaar dreigt te komen.

Met de huidige selectie van studenten om de groei van het hoger onderwijs in te tomen, heeft Diepenhorst minder moeite. Wat de oud-bewindsman betreft behoort ook die eveneens tot de boedel van de jaren zestig. Als minister van onderwijs werd hij reeds geconfronteerd met de eerste groeistuipen van het wetenschappelijk onderwijs. Hij pleitte daarom - overigens vergeefs vanwege gecombineerd verzet van studenten en faculteiten - al voor een numerus fixus bij Medicijnen. Een scherpere selectie in het eerste studiejaar van sommige studierichtingen acht hij in het huidige tijdsgewricht onontkoombaar. “Deze zal aan de ene kant niet onverantwoord zwaar, aan de andere kant behoorlijk selecterend moeten zijn. Dat is in het verleden nogal eens anders gegaan, met harde selectiemiddelen en massa-afval”, aldus Diepenhorst.

Gelet op zijn zorgen over de student is het niet vreemd dat Diepenhorst het oneens is met de keuze van de huidige bewindslieden van onderwijs om primair en voortgezet onderwijs bij bezuinigingen te ontzien, waardoor de lasten bij universiteiten en hogescholen komen te liggen. Diepenhorst vreest niet alleen dat de begeleiding van de student daarvan de dupe wordt. Ook is de oud-hoogleraar - zelf afgestudeerd in de theologie en het recht - bang dat onder verwijzing naar de eisen van de arbeidsmarkt en maatschappelijke relevantie “een streep wordt gehaald door allerlei geesteswetenschappen”. Dat schaadt de rol van de universiteit als voeder van de geestelijke bodem van een samenleving, denkt Diepenhorst. “De universiteit moet het universum blijven dienen.”

Wat betreft het voortgezet onderwijs sympathiseert Diepenhorst met de klacht waaraan oud-minister van onderwijs en Tweede-Kamervoorzitter W. Deetman eergisteren lucht gaf. Deetman zei dat fusies in het voortgezet onderwijs een tijdlang nodig waren geweest, maar nu als “een besmettelijke ziekte” hun doel dreigen voorbij te schieten. Diepenhorst: “Ik ben van huis uit tegen grote scholen. Dat hangt samen met wat ik hoorde van de rector toen ik aankwam in de eerste klas van het Zeister Lyceum. Deze vertelde toen met huiver in zijn stem dat zijn school reeds 330 leerlingen telde. De waardige grijsaard trilde van schrik dat er zoveel waren, omdat hij zich als ideaal had gesteld om binnen een maand alle leerlingen te kennen.” Inmiddels is het Zeister Lyceum opgegaan in een scholengemeenschap.

De schaalvergroting is volgens Diepenhorst in sommige gevallen ten koste gegaan van de persoonlijke aandacht voor de leerling. Ook bepaalde veranderingen in het gezin hebben die aandacht geschaad, meent Diepenhorst. Hij zegt als minister in het midden van de jaren zestig al te hebben gewezen op het fenomeen dat werkende moeders die als schoonmaaksters de departementen en andere kantoren bevolkten, daar niet na half negen 's ochtends en niet voor vijven 's middags mochten verschijnen. Door deze werktijden “werden de moeders als opvoeders op kritieke uren weggehaald uit de gezinnen. We konden daar als overheid niet al te veel aan doen. We konden er wel oog voor hebben, er aandacht voor vragen”.

Omdat de overheid 'niet al te veel kan doen' denkt Diepenhorst genuanceerd over het huidige pleidooi voor een actieve gezinspolitiek van zijn eigen partij, het CDA. “De overheid heeft ten aanzien van de losgeslagen jeugd en dergelijke een bijzondere taak”, redeneert Diepenhorst. “Het niets gelegen laten liggen van opvoeders aan jongens en meisjes oefent een slechte werking uit. Aan de andere kant kan de staat ook niet alles. Als die zou overgaan tot een soort staatspedagogiek of in elk geval een beheersing door de staat van het gehele particuliere opvoedingsproces, dan zit men verkeerd.”