Minister eist na kritiek vertrouwen; Sorgdrager stond op punt van aftreden

DEN HAAG, 1 NOV. Minister Sorgdrager (justitie) heeft gisteren op het punt gestaan af te treden wegens de kritiek van de voltallige Tweede Kamer op de afvloeiingsregeling voor procureur-generaal Van Randwijck.

Pas nadat de fractievoorzitters van de regeringspartijen PvdA, VVD en D66 op haar aandringen uitdrukkelijk hun vertrouwen in de minister hadden uitgesproken, was zij bereid aan te blijven.

De Kamer keurde de wijze waarop de minister met Van Randwijck een afkoopsom was overeengekomen, volstrekt af. Een motie van de regeringsfracties, waarin werd gesteld dat de afkoopregeling “niet tot stand had behoren te komen”, had als onbedoelde uitwerking dat Sorgdrager over haar toekomst als minister wilde nadenken. Tijdens een twee uur durende schorsing overlegde de bewindsvrouw met de D66-fractie, de ministers Wijers en Borst, partijleider Van Mierlo en premier Kok.

De motie van Wallage (PvdA), ondertekend door Korthals (VVD) en Dittrich (D66), moest van tafel, eiste Sorgdrager. Maar de regeringsfracties hielden voet bij stuk. De fractievoorzitters vonden wel dat het “buitensporig zou zijn deze minister voor deze zaak de laan uit te sturen”, zoals VVD-fractievoorzitter Bolkestein het verwoordde. Hij wees haar erop dat haar verzoek “onnodig” was geweest, omdat “elke minister het vertrouwen van de Kamer heeft totdat het tegendeel bewezen is”. Ook Wallage, die van oordeel was dat de minister “stevige steken heeft laten vallen”, en Wolffensperger (D66) lieten na het dreigement van Sorgdrager om af te treden weten dat de vertrouwenskwestie niet aan de orde was geweest. “Ik ben daar blij mee”, sprak Sorgdrager in haar slotwoord.

De Kamer vond dat de afvloeiingsregeling voor Van Randwijck, zeven jaarsalarissen plus een gouden handdruk van vijf ton, “aan niemand uit te leggen viel”, zoals onder anderen CDA-fractievoorzitter Heerma zei. Rosenmöller (GroenLinks) sprak van een “goudgerande oprotpremie”. De Kamer wilde vooral weten waarom de minister Van Randwijck niet had ontslagen wegens “disfunctioneren”. Zij had immers zelf geconcludeerd dat de situatie in het ressort Amsterdam sinds de IRT-affaire in 1994 was “verslechterd”.

Sorgdrager gaf tijdens het debat op vrijwel alle punten toe dat zij de zaak beter had kunnen aanpakken. De verontwaardiging in de Kamer kon zij “heel goed begrijpen”. Ook zij had “best moeite” gehad met de regeling die zij was overeengekomen met Van Randwijck.

Pagina 3: 'Bewijs voor falen van Van Randwijck ontbrak'

Maar het terugdraaien van de overeenkomst, zoals de Kamer wilde, was onmogelijk omdat Sorgdrager haar handtekening al had gezet. Een ontslagprocedure tegen Van Randwijck achtte de minister niet haalbaar. Volgens de reglementen moet de werkgever (Justitie) daarvoor de “ongeschiktheid” van de PG aantonen uit schriftelijke stukken. Dat dossier bestond niet. Signalen “dat het niet goed ging” waren begin dit jaar wel gekomen, onder anderen van procureur-generaal Docters van Leeuwen en secretaris-generaal Suyver. Behalve die telefonische mededelingen had Sorgdrager alleen “verhalen in de kranten”, zei ze over de spanningen binnen het ressort. Maar daarmee had de minister formeel nog geen materiaal om een succesvolle procedure voor de ambtenarenrechter te beginnen. “Dat getuigt van een buitengewoon slordig personeelsbeleid”, concludeerde Rosenmöller.

Sorgdrager koos er voor Van Randwijck eervol ontslag te verlenen en een financiële regeling te treffen, omdat zij inzag dat de reorganisatie van het openbaar ministerie in gevaar zou komen bij het aanblijven van Van Randwijck. Volgens de wettelijke regeling komt zo'n ontslag tot stand op grond van criteria als dienstjaren, leeftijd en te verwachten carrièrekansen van Van Randwijck. Die zijn minimaal, meende Sorgdrager. “Ik denk dat de carrière van de heer Van Randwijck geknakt is. Publiekelijk is deze man volledig afgebroken”, zei ze. Zij wilde niet alleen Van Randwijck de schuld geven voor de gezagscrisis binnen zijn ressort. “De machtsverhoudingen in Amsterdam waren zodanig dat hij zijn gezag niet kon herstellen. Daar heeft hij gewoon de bevoegdheden niet voor.” Om de situatie weer “werkbaar te maken” zag zij zich wel genoodzaakt om één persoon te laten vertrekken.

Sorgdrager gaf toe dat ze verkeerd heeft gehandeld door de Landsadvocaat niet in te schakelen, zoals in dergelijke gevallen gebruikelijk is. Verder was zij het met de Kamer eens dat zij politiek overleg had moeten plegen over de regeling.