Kamer voelt niet voor korte cursus aan hogescholen

DEN HAAG, 1 NOV. De fracties van VVD en PvdA zien weinig in een verplicht kortere opleiding voor mbo'ers en vwo'ers aan hogescholen.

Dit bleek vanmorgen tijdens de behandeling van de begroting van onderwijs, cultuur en wetenschappen. Omdat ook het CDA tegen het plan is dreigt er een Kamermeerderheid tegen een verplicht driejarig hbo te ontstaan.

Deze kortere vorm van hoger onderwijs is een belangrijk onderdeel van het plan van minister Ritzen en staatsecretaris Nuis van onderwijs om studenten in het hoger onderwijs sneller te laten studeren. In september stelden zij dit voor in het Hoger-onderwijs- en onderzoeksplan 1996 (Hoop). Over het Hoop zal de Kamer pas in januari een definitief standpunt innemen.

Volgens M. de Vries (VVD) zal een algehele inkorting van de studieduur voor ongeveer de helft van de huidige hbo-studenten tot “grote problemen” leiden omdat lang niet alle studenten zo'n hoog tempo aan kunnen. PvdA-Kamerlid M. van Zuylen vindt het “verstandig” de hogescholen zelf te laten bepalen voor welke studenten de studieduur korter kan. In verband daarmee wil zij een nieuw stelsel van leerrechten, zodat studenten studiefinanciering kunnen 'bewaren' voor later.

Ook de plannen van minister Ritzen om de bekostiging voor universiteiten en hogescholen voor tien jaar vast te leggen stuitten op veel verzet. De Vries noemde zo'n lange termijn “ver over het graf heen regeren”. Ze noemde het verder “onredelijk” dat de universiteiten vanaf 2004 200 miljoen per jaar minder krijgen, terwijl het budget voor de hogescholen gelijk blijft. De meeste Kamerleden vroegen zich ook af wat er gebeurt als de zeer gedetailleerde voorspellingen van de studentenstromen (40.000 universitaire studenten minder, hbo-aantallen stabiel) over tien jaar niet blijken uit te komen.

PvdA-Kamerlid J. Liemburg pleitte voor extra investeringen in het beroepsonderwijs en het leerlingstelsel. Ook achtte ze het onvoldoende dat de regering het basis- en voortgezet onderwijs ontziet bij de bezuinigingen. In het volgende regeerakkoord wil ze vastleggen dat er voor dit zogenoemde funderend onderwijs meer geld wordt uitgetrokken. Overigens signaleerde Liemburg dat er in het onderwijs meer problemen zijn dan bezuinigingen of gebrek aan extra geld. Zij verwees daarbij naar het pas verschenen proefschrift van S. Blom waaruit zou blijken dat in Frankrijk veel meer kinderen dan in Nederland op het hoogste niveau voortgezet onderwijs volgen. Volgens Blom is een van de oorzaken van dit verschil dat onderwijzers in Nederland te vaak menen dat slechte schoolprestaties een kwestie zijn van onvoldoende aanleg.