JAN KASSIES 1920-1995; Optimistische realist

De gisteren overleden Jan Kassies heeft zich zijn leven lang ingezet voor de cultuur. Als politicus, als bekleder van diverse ambten en als woordvoerder van het cultuurpolitieke idealisme. Op bevlogen wijze kon hij argumenteren waarom kunst en cultuur van overheidswege moesten worden gesteund, maar tegelijkertijd was hij een realist die naar openingen zocht in het taaie gebied van ambtenarij en politiek.

Jan Kassies werd op 30 mei 1920 in Lobith geboren en werd opgevoed met de zekerheden van een gereformeerd gezin van tien kinderen van wie hij de oudste was. Zijn eerste baan was schrijver op het gemeentelijk girokantoor. In de oorlog bracht hij de eerste afleveringen van Vrij Nederland rond en werd door de bezetter opgepakt en afgevoerd naar Duitsland om daar dwangarbeid te verrichten. Bij het werk met machines raakte hij gewond aan zijn arm, waarvan hij de rest van zijn leven last zou hebben.

Tegen het einde van de oorlog kwam hij in contact met de aanjagers van het kunstenaarsverzet. Toen uit dat verzet de Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars ontstond, werd hij hiervan de eerste directeur en kreeg zijn rol van pleitbezorger van kunst en kunstenaars gestalte. Als secretaris van de Raad voor de Kunst kon hij zijn oppositierol in woord en geschrift verder vervolmaken.

In 1966 werd hij directeur van de Amsterdamse toneelschool, vijf jaar later richtte hij het Instituut voor Theateronderzoek op, met behulp waarvan hij toneelmakers de kans gaf te experimenteren. Hij hoopte daardoor de toneelpraktijk te kunnen vernieuwen: in de kunst ging het hem steeds om avant-garde, ontwikkeling en innovatie. Met de glitter en de glans van gevestigde kunst had hij weinig op en hij verfoeide galavoorstellingen die in smoking moesten worden bijgewoond. Die houding maakte hem geliefd in de culturele marge, waar hij vaak voor een bestuursfunctie werd gevraagd. Zo zette hij zich als voorzitter in voor een om zijn bestaan strijdend buurttheater of voor een met haar identiteit worstelende VPRO.

Hoewel hij al lang lid was van de Partij van de Arbeid, lukte het hem pas in 1987 de overstap van de kunst naar de politiek te maken. In dat jaar werd hij lid van de Eerste Kamer. Opnieuw pleitte hij voor overheidssteun voor culturele initiatieven die niets met 'opzichtige consumptie' hadden te maken, en voor een kunstbeleid ten gunste van de artistieke en sociale minderheden. Ook in de functies die hij recent nog vervulde, zoals het voorzitterschap van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties en het Bedrijfsfonds voor de Pers, legde hij het accent liever op artistieke kwaliteit dan op het succes in commercieel of publicitair opzicht.

Jan Kassies hield zijn leven lang vast aan zijn idealen, maar dit maakte hem allerminst tot een dogmaticus. Hij kon voldoende afstand nemen van zijn eigen denkbeelden en waar hij kon hielp hij deze en gene aan middelen om welk idee of ideaal dan ook te verwezenlijken. Het moet voor hem pijnlijk zijn geweest dat veel politieke en culturele beloften die in herrijzend Nederland werden geformuleerd door ontwikkelingen als de commerciële omroep en de marktgerichte cultuurproduktie steeds verder uit beeld raakten. Maar pessimistisch werd hij er niet van: hij koesterde niet de illusie dat hij de wereld naar zijn hand kon zetten. “Er vestigt zich de zekerheid”, tekende Jan Rogier ooit uit zijn mond op. “Dat men deze wereld zal verlaten, zonder er orde op zaken te hebben gesteld.”