'Gemeenten vinden GGD onbelangrijk'

DEN HAAG, 1 NOV. Gemeentebesturen vinden de openbare gezondheidszorg niet erg belangrijk. Ze bezuinigen te veel op gemeentelijke gezondheidsdiensten (meestal GGD genoemd), waardoor het lokale gezondheidsbeleid vaak te wensen overlaat. Dit concludeert de Inspectie voor de Gezondheidszorg in een onderzoek dat minister Borst (volksgezondheid) gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Borst liet op verzoek van de Kamer onderzoeken op welke wijze gemeenten betrokken zijn bij het in kaart brengen van de gezondheidstoestand van burgers. Sinds 1989 worden de gezondheidsdiensten gefinancierd door de gemeenten volgens de Wet Collectieve Preventieve Volksgezondheid (WCPV). Het ontbreekt de meeste gemeenten aan een visie op gezondheidsbeleid, aldus het onderzoek, dat werd gehouden in 81 gemeenten en met medewerking van 21 gemeentelijke gezondheidsdiensten. Gemeenten houden een GGD vaak in stand zonder dat duidelijke afspraken zijn gemaakt over de diensten die moeten worden geleverd.

Gemeenten willen liever resultaten op de korte termijn, terwijl gezondheidsdiensten de lange termijn belangrijker vinden. De zorg richt zich vooral op de openbare orde en veiligheid. De gemeenten zien drugs- en alcoholverslavingen als belangrijkste gezondheidsproblemen. Nog geen tien van de 81 geïnterviewde gemeenten vinden hart- en vaatziekten een gezondheidsprobleem, zodat preventief beleid voor die ziekten vrijwel altijd ontbreekt.

Mnister Borst vindt dat gemeenten beter “vorm moeten geven aan gezondheidsbeleid”. De resultaten van het onderzoek baren haar “enige zorg”. Borst vindt niet dat de WCPV moet worden gewijzigd, maar zij wil wel een commissie instellen voor de ontwikkeling van een visie op de openbare gezondheidszorg in de gemeenten.