Bij Ajax zijn de spelers intelligenter

Van Hanegem is bij Feijenoord aan de dijk gezet. Door Van den Herik. En nu komt Haan. Mooie namen voor een roman van Bordewijk. Haan als het nieuwe hoofd van de school, Van Hanegem, als de bonkige conciërge, met Van den Herik als de altijd achter hem lopende, zelden blaffende hond. In het perspectief van Bordewijk een onheilspellend gezelschap, maar voor de moderne lezer toch een beetje domme figuren.

Was Van Hanegem dom? In Amsterdam vonden ze dat zeker.

Iedereen kent wel die grap over Van Hanegem die aan Van Gaal vraagt hoe het komt dat de Ajaxspelers zoveel beter zijn dan die van Feijenoord. “Intelligentie”, zegt Van Gaal droog, “praat maar eens met Bergkamp”. Zo gezegd zo gedaan. Van Hanegem legt Bergkamp zijn probleem voor. Bergkamp knikt begrijpend. “Wij zijn inderdaad intelligent”, zegt hij, “ik zal een raadseltje opgeven: het is een zoon van mijn vader en het is niet mijn broer.” De Kromme krabt zich eens achter de oren, denkt diep na en moet tenslotte toegeven dat hij het niet weet. “Dat ben ik”, zegt Bergkamp. Diep onder de indruk keert Van Hanegem terug naar Rotterdam en bij de eerste training roept hij Van Gobbel bij zich. “Los voor mij eens het volgende raadsel op”, zegt hij, “het is een zoon van mijn vader en het is niet mijn broer.” Van Gobbel trekt een diepe denkrimpel in zijn grote ronde hoofd, loopt een veldje en besluit het eens aan De Goey te vragen. De Goey denkt na, en na een kwartier weet hij al het antwoord. “Dat ben ik”, zegt hij. Blij loopt Van Gobbel naar zijn trainer. “Ik weet het”, roept hij, “het is De Goey.” “Fout”, antwoordt Van Hanegem teleurgesteld, “het is Bergkamp.” Ik wacht met spanning op de eerste grap over Haan.