Bewoners behoeden vergeten vrijstaat voor sloop

MAASTRICHT, 1 NOV. De Halvemaanstraat ligt als een vergeten croissant tussen rottende bloemkolenvelden. Aan de binnenkant van de ring staat een rij huizen rond een groot leeg plein: het Mariabastion. In dit wijkje van amper honderd huizen staat een wijkgebouw van kathedrale afmetingen centraal: de Ravelijn.

Het is de laatste intact gebleven woonschool van Nederland - gebouwd in 1956 om onmaatschappelijke gezinnen de beginselen van het goedburgerlijk bestaan bij te brengen. Nu vechten de bewoners van de Ravelijn tegen de sloop van de woonschool en de komst van flatgebouwen. Die strijd is ten dele in hun voordeel beslist: de woningbouwvereniging ziet (voorlopig) af van haar plannen tot sloop van de honderd huizen. Maar de bouw van vijf verdiepingen hoge flats aan de rand van het wijkje is nog niet van de baan.

De Ravelijn heeft een lange, woelige geschiedenis. De woonschool ligt in Maastricht, die aartskatholieke stad die vanuit haar vroege industriële ontwikkeling een reputatie verwierf op het gebied van onmaatschappelijkheid, losbandigheid, werkschuwheid en drankmisbruik. Rond de Boschstraat en in het Stokstraatkwartier leefden tot laat in de jaren vijftig vele Maastrichtenaren in verkrotte woningen, vaak niet meer dan een kamer groot.

In 1953 schokte de katholieke socioloog dr.H. Litjens de gemeentelijke gezagsdragers en caritatieve instellingen met zijn conclusie dat het de krotbewoners ontbrak aan deugden als huiselijkheid, een gezond huwelijksleven, geregelde arbeid en fatsoenlijke behuizing. De gemeente besloot daarop de strijd met de onmaatschappelijkheid van haar inwoners aan te gaan.

Uit de krotbewoners van Maastricht werden honderd gezinnen geselecteerd - vooral uit het Stokstraatkwartier - wier levensstijl voor verbetering vatbaar werd geacht. Zij kregen een huis toegewezen in de Ravelijn, een met opzet geïsoleerde buurt met in de verte zicht op de aangepaste wereld. De huizen werden afgestemd op de 'mate van aangepastheid'. De minst aangepasten kregen een klein huis met op de begane grond één woonvertrek, terwijl de betere gezinnen een groter huis met een aparte woonkamer en keuken kregen.

De bewoners wisten echter niet dat zij volledig werden uitgeleverd aan het maatschappelijk opbouwwerk. Zo moesten zij een standaard-meublement op krediet aanschaffen, waarna het beheer van het huishoudgeld helemaal in handen kwam van opbouwwerkers - onder het mom van kredietsanering. Wijkverzorgsters zagen er op toe dat bewoners de was deden, het huis poetsten en genoeg vitaminen innamen. Het gezin moest als hoeksteen van de samenleving in ere worden hersteld, dat was de theorie achter de verhoopte triomf van het welzijnswerk. Het was dan ook zeer tegen de zin van de opbouwwerkers dat sommige vrouwen gingen werken om zo snel mogelijk van hun schulden af te komen.

Het woonschoolexperiment mislukte grandioos. De bewoners bedachten allerlei manieren om zich aan de controle van het opbouwwerk te onttrekken. Maar erger was dat de bewoners met een groot 'Ravelijnstempel' door het leven moesten. “Veer kinne doen wat veer wille, veer blieve toch de asocialen”, verzuchtten de Ravelijners massaal. Wie uit de Halvemaanstraat of het Mariabastion kwam, werd op school uitgelachen en kwam nergens voor een baan in aanmerking. Ze waren er nog slechter aan toe dan de bewoners van het Wittevrouwenveld, die met gevoel voor humor hun buurthuis omdoopten tot 'Ponderosa' van waaruit ze als Indianen de cowboys uit de stad bestreden.

In 1982 werd de woonschool officieel opgeheven. De gemeente verspreidde de bewoners over de stad. Enkele gezinnen wilden niet goedschiks weg en hielden de sloop tegen. Studenten mochten zolang de huizen voor een prikje huren. Het wijkgebouw werd ingericht als ontmoetingscentrum en later als atelier voor kunstenaars. Woningbouwvereniging Sint Servatius vond alles goed, zolang ze maar geen onderhoud hoefde te plegen of zich met de toewijzing moest bemoeien. Zo ontstond aan de rand van Maastricht een vergeten vrijstaatje.

Het is ook niet voor niets dat de bewoners zich met hand en tand hebben verzet tegen de huidige sloopplannen van hun wijk. “De huizen zijn nog prima, ook al heeft de woningstichting er al twintig jaar niets meer aan gedaan. Bij huren van 350 tot 400 gulden kunnen we zelf voor het onderhoud zorgen”, zegt voorzitter G. Driessen van de bewonersvereniging.

Nadat de woningstichting had laten uitrekenen dat de Ravelijn beter kan worden gesloopt, kwamen de bewoners met een tegenonderzoek. Hieruit bleek dat de wijk met een investering van 26.000 gulden per huis nog twee eeuwen kon bestaan. Maar dan moet wel dat andere plan van de woningstichting van tafel, zegt Driessen. De bouw van flats aan de rand van wijkje, “dat is de doodsteek voor de leefbaarheid. Wij willen een dorpje blijven in de stad.”