100 JAAR; The General

Met de waardering voor Buster Keaton (1895-1966) is het vreemd gesteld. Zijn onafhankelijk geregisseerde en geproduceerde films (1921-1928) konden op grote bijval van de tijdgenoten rekenen, al hadden sommigen bedenkingen tegen de vrijmoedige spot met de nagedachtenis van de Burgeroorlog in The General (1927). Keaton was op dat moment de belangrijkste Amerikaanse filmkomiek ná Charlie Chaplin.

Na z'n ziel te hebben verkocht aan MGM èn de komst van de geluidsfilm ging het snel bergafwaarts. In 1937 was Keaton net zo'n alcoholist als zijn vader geweest was, werd opgenomen in een kliniek en had geen werk meer.

Pas na een eerste gemeenschappelijk optreden met Chaplin, in Limelight (1952), begon de rehabilitatie. De nieuwe generatie filmliefhebbers, opgevoed door de 'Cahiers du Cinéma', bewonderde Keatons talent als regisseur, zijn montage en filmische raffinement. Bovendien was Keaton veel minder pathetisch dan Chaplin, wiens personage eerder huilde om het hem aangedane onrecht dan de stoïcijnse Man met het Stenen Gezicht: die lachte noch weende ooit.

Er was geen twijfel meer mogelijk: hoewel Laurel & Hardy hun verdedigers hadden, was de modern-onaandoenbare Keaton - niet die ouderwetse ijdeltuit van een Chaplin - onmiskenbaar de grootste slapstick-kunstenaar geworden.

Kijk nu nog eens naar The General (1927, dit seizoen hervertoond in de serie 'Silent Classics' van het Nederlands Filmmuseum): het is Keatons eigen favoriet en de film bevat de meeste klassieke scènes, zoals die met het kanon op wielen en natuurlijk dat prachtige moment, als de door zijn geliefde afgewezen Keaton in gedachten verzonken op de aandrijfstang van zijn locomotief zit en zonder het te merken opgetild wordt.

Niemand kan ontkennen dat Keaton de mise-en-scène beter beheerste dan Chaplin. Maar The General ontbeert een even geraffineerd scenario: het door Keatons belangstelling voor techniek ingegeven opeenstapelen van treingrappen wordt na een tijdje heel vervelend, zodat het niemand meer wat kan schelen of de Noordelijke treinkapers of de Zuidelijke machinist aan het langste eind trekken. Het slot is daarentegen weer fantastisch, als de aanvankelijk door het leger geweigerde held Keaton alsnog zijn uniform krijgt: een pathetisch moment, Chaplin waardig. Diens Modern Times (1935) mag dan retorisch zijn, ik houd meer van een film die iets beweert over industrialisering dan een film die slechts briljant-poëtisch met de mogelijheden van de techniek speelt. Smaken verschillen, doe mij maar Chaplin.