Zelfspot

Ik ben er mee opgegroeid. Als je iets stoms doet, erken dan dat je stom geweest bent. Zoek de oorzaak maar bij je zelf, want dan kun je er iets aan doen. Leg je de fout bij de ander namelijk, dan moet je dat ten eerste aan diens weerspannige verstand brengen en ten tweede maar afwachten of hij er iets van opgestoken heeft. Wie de hand in eigen boezem steekt, heeft letterlijk de situatie in de hand, weliswaar in de vorm van een herinnering, maar juist om die herinnering gaat het. De schaamte over wat je hebt uitgehaald, de noodzaak om het te verbergen, kan zich later bevrijdend oplossen in een grap: als de nodige tijd is verstreken, het delict verjaard en je er een vorm aan hebt kunnen geven die de buik doet schudden en de tranen in de ogen doet springen, bij jezelf maar vooral bij je gehoor. Want dat is het doel waarnaar je streeft: dat de stommiteit alsnog in de openbaarheid wordt gebracht. Daarmee wordt ze als stommiteit opgeheven, ze is gepromoveerd tot een superieure grap, je hebt de lachers op je hand.

Er zijn mensen die absoluut geen gevoel voor zelfspot hebben, ook niet voor die van anderen. Ik heb er erg lang over gedaan aan dit soort mensen te wennen. Stomverbaasd dat ze mijn grappen niet waardeerden. En zij stomverbaasd dat ik mij 'zo bloot gaf' of iets dergelijks. Soms krijg ik vanuit het humorloze hoofd tegenover mij commentaar als: 'dat had je toch kunnen weten?', of: 'waarom heb je niet zus of zo gedaan?', of, het ergste: 'ik weet wel waarom je ons dit vertelt, je hoopt dat wij nu zeggen, het valt best mee, zo stom ben je niet'. Bah! Nee! Natuurlijk niet! Het enige wat ik wil is dat je lacht, glimlacht desnoods, c.q. je bescheurt, daar gaat het mij om, om de vorm. Niet langer, eigenlijk, om wat er werkelijk is gebeurd. De herinnering is vervaagd en heeft aan het gebeurde dikwijls een heel andere, want toonbare vorm gegeven. Zo'n verhaal dient het goede doel: de mensen te vermaken. Daarom, ik verzin ook wel 's iets. Veel mensen kunnen het waarderen. Ze herkennen zichzelf, al zijn ze vaak niet in staat dit soort grappen bij zichzelf te produceren. Die hebben een dubbele afstand nodig, in tijd en in ruimte.

Niet altijd is een stommiteit direct je eigen schuld. Soms lok je het uit, ongewild. Toen mijn vader, die een meester was in het genre, op een nieuwe school als leraar door de directeur werd begroet, werd hij door deze aangezien voor de nieuwe kachelstoker, een pijnlijk moment dat later in huiselijke kring het nodige plezier heeft gegeven.

Niet alle zelfspot is geslaagd: als ze te kort volgt op de fout. Je hebt mensen die alles wat ze zeggen meteen weglachen, ten teken dat ze wat ze zeggen niet menen. Tegenover kleine kinderen werkt dat. Als je dreigt met 'ik zal je opeten!', kun je dat alleen maar neutraliseren door er meteen bij te lachen. Tegenover volwassenen praat je doorgaans zo niet. Toch zijn er praatmilieus waar bijna alles wat in het midden wordt gebracht door een lachend gezicht meteen lijkt te worden ontkend: ik ben niet echt serieus. Wat ik zeg is waarschijnlijk erg dom. Of: nee hoor, ik kan geen cirkel van een driehoek onderscheiden, haha! Of: ja hoor, ik weet nu eenmaal alles, haha! Elke dwaze opmerking wordt direct met een lach doorgestreept: ongeldig. Zo'n houding is niet vrij van koketterie en moet als 'surrogaat zelfspot' worden afgekeurd. Want spot, ironie, grappen in het algemeen vormen het zout des levens. Dat wil zeggen dat humor niet alleen noodzakelijk, maar ook zeldzaam is. Lang niet alles in het leven is leuk. In het bijzonder de tegenwoordige tijd, de o.t.t. vraagt onze ernstige aandacht en een betrokkenheid die geen afstand verdraagt. Lachen kan later wel. Wie achter het stuur van zijn auto door rood licht rijdt, al lachend, omdat hij wil laten zien dat hij wat hij doet niet echt meent, heeft voor zijn humor nog te weinig afstand genomen van de werkelijkheid. Zoiets doms vraagt een lange tijd van rijpen en heeft, om door een lachsalvo te worden begroet, waarschijnlijk een heel andere vorm nodig.

    • Gerrit Krol