Separatisten zullen nuisance value Québec verhogen

MONTRÉAL, 31 OKT. Het gisteren gehouden referendum over de onafhankelijkheid van Québec had een afrekening met de geschiedenis moeten zijn. Beide partijen, de voor- en tegenstanders van soevereiniteit voor de Canadese provincie, wilden op hun eigen wijze een eind maken aan de Québecse frustraties van de afgelopen tweehonderd jaar in het algemeen en de laatste vijftien in het bijzonder. Vanaf 1980 heeft Québec geredetwist over de speciale status die het als merendeels Franstalige provincie eiste. De flinterdunne overwinning van de tegenstanders - 1,2 procent - heeft echter niets opgelost. De onderhandelingen tussen de Canadese federatie en Québec zijn weer geopend.

Québec wil erkenning, maar 'Ottawa' [waar de federale regering zich bevindt] heeft intussen andere zorgen. Waar elders in de Westerse wereld de sociale voorzieningen al goeddeels aan de financiële werkelijkheid van de jaren tachtig en negentig zijn aangepast, moet Canada daar nog aan beginnen. Omdat de rest van Canada het in de laatste vijftien jaar met Québec nooit eens kon worden over een grondwettelijk vastgelegde positie van Québec als société distincte, is de federale regering ook nooit in de positie geweest bezuinigingen door te voeren: om afscheiding te voorkomen moest Québec afgekocht worden.

Dit heeft bij andere provincies veel kwaad bloed gezet. De verwachting is dan ook dat in de komende onderhandelingen een bevoordeling van Québec door de andere provincies niet geaccepteerd zal worden. Het is prima als Québec meer macht krijgt, maar dan moet elke andere provincie dat ook hebben, zoals premier Ralph Klein van de westelijke deelstaat Alberta gisterenavond zei.

Juist vandaag had de federale regering zullen beginnen met beslissende besprekingen over voorstellen om pensioenen en werkloosheidsuitkeringen te korten. Degenen die de bijeenkomst lang geleden belegden gingen er van uit dat de kwestie-Québec vandaag voor altijd van de baan zou zijn. Een maand geleden wezen de peilingen tenslotte nog van een beslissend 'nee' uit. Het beraad zal nu ergens anders over gaan. De federale premier Jean Chrétien voelde zich vorige week al gedwongen om de soevereinisten op vertrouwde wijze af te troeven met zijn belofte dat de pensioenen onaangetast zullen blijven als Québec deel van de federatie blijft.

Anders dan in de periode van 1960 tot het - eveneens in een 'nee' uitgemonde -referendum van 1980, had de jongste ronde in het gevecht over soevereiniteit voor Québec niet het karakter van een klassestrijd. De socioloog Fernand Dumont, die in Québec wordt beschouwd als een leidende intellectueel, had er twee weken geleden juist nog over geklaagd. Hij was onder meer voorstander van onafhankelijkheid, zei hij, omdat hij zich zo kon afzetten tegen de neo-liberalistische markthervormingen. Maar jammer genoeg was dat nauwelijks een gespreksonderwerp in de campagne.

De separatistische premier van Québec, Jacques Parizeau, bracht dat thema gisteravond na de uitslag weer terug. “We zullen ons land niet overleveren aan de rechtse krachten, die overal in de rest van Canada aan de macht dreigen te komen.” Voor Parizeau was dit een manier om te zeggen dat zijn regering alle pogingen van de federale regering om het bijzonder hoge begrotingstekort te bestrijden, zal dwarsbomen. Hoe lastiger Québec is, hoe groter de kans op onafhankelijkheid op termijn. Het lijkt er sterk op dat Parizeau en Lucien Bouchard, leider van de separatisten in het nationale parlement, de nuisance value van Québec zo hoog zullen opvoeren, dat de soevereiniteit ze eenvoudig in de schoot zal worden geworpen. Daarom kunnen ze met enige zelfverzekerheid zeggen dat “de volgende ronde” van de onafhankelijkheidsstrijd “nabij” is.

Nu zijn er heel wat van die neo-liberalen binnen en buiten Québec die juist gehoopt hadden dat Parizeau het referendum van gisteren zou winnen. Buiten Québec zouden de conservatief-geleide provincies Ontario en Alberta in de overgebleven federatie ineens veel meer te vertellen hebben gekregen. Maar ook de rechtervleugel van de liberalen in Québec zag er enkele jaren geleden wel wat in. Links en rechts in Québec zijn nu zowel te vinden bij voor- als tegenstanders van onafhankelijkheid, in de nationalistische Parti Québécois, en bij de federalistische liberalen. Onafhankelijkheid zou eindelijk normale politieke verhoudingen mogelijk maken, hoopten zij.

Veel Canadese burgers zijn trots dat ze meer compassie tonen met de minder draagkrachtigen dan de Amerikanen. Ze noemen het hun 'identiteit' als er naar gevraagd wordt: sociale voorzieningen en veilige steden. Voor Québec hebben goede sociale voozieningen altijd afgehangen van federale steun. Dat verklaart misschien ook waarom zoveel ja-stemmers tot en met vorige week graag in de veronderstelling leefden dat soevereiniteit niet echt een breuk met de rest van Canada zou betekenen.

Tachtig procent nam aan dat ze de Canadese dollar zouden houden en het Canadese paspoort. Men wijt die opvattingen aan een geniale campagne van vooral de seperatistenleider Lucien Bouchard, en aan de falende overtuigingskracht van de federalisten. Andere soevereinisten - niet de leiders - benadrukten in hun argumenten juist dat ze heus wel weten dat het moeilijk zou worden in een onafhankelijk Québec. Maar dat namen ze op de koop toe, want - zo viel vaak te horen en te lezen - dan zullen de Québécois eindelijk eens ophouden te zeggen dat “het de fout van Ottowa” is.

De meest gebrukte metafoor is die van het gezin: “Québec moet op eigen benen staan', “is het gezin ontgroeid”, “de navelstreng moet doorgesneden worden'. De tegenstanders van onafhankelijkheid doen hetzelfde en noemen Québec een “verwend kind”, dat “altijd mokt en zeurt, en daarom de meeste aandacht krijgt”; een “kind dat voortdurend dreigt met weglopen, maar zijn moeder niet echt wil missen”.

Alexis de Tocqueville, de Franse politiek filosoof die zoveel ontwikkelingen voorzag, bezocht in 1831 Montréal en Québec. Hij hield van de Franse Canadezen die hij daar ontmoette. Ze waren weliswaar mentaal de minderen van de Amerikanen, schreef hij, maar ze hadden een gouden hart. De sobere Amerikanen waren ondernemend, en stuurden hun zonen er op uit, naar nieuwe landstreken - Go west young man. De Fransen in Québec ontbrak het aan die Amerikaanse handelsgeest. Ze waren huiselijk, bleven generatie op generatie in hetzelfde dorp wonen, waar ze blijmoedig het leiderschap van de plaatselijk priester aanvaardden; en ze hielden van zang en dans. Tocqueville vond dat ze in redelijke welstand leefden, maar dat hun leven werd overschaduwd door hun onderworpen status - hun land was tenslotte in de eeuw daarvoor door de Britten veroverd.

Eeuwenlang is Québec in zijn schulp gekropen, om er pas sinds 1960 uit te komen. Veel Québécois voelen zich nu niet minder dan de andere Canadezen. Die nieuwe Québécois wonen voornamelijk in Montréal en omgeving, en ze begrijpen net zo weinig als iedere buitenstaander van de heftige minderwaardigheidsgevoelens van de soevereinisten in de provincie. Ze kunnen het alleen een beetje uitleggen met die beeldspraak van het verwende kind dat nu opnieuw met succes de boel op stelten heeft gezet. Maar de Canadese federatie is geen gezin, het is een politiek arrangement. Daarin zullen de komende tijd onvoorspelbare krachten om voorrang strijden.