Referendum

In zijn stuk over het referendum (NRC Handelsblad, 23 oktober), schrijft Roel van Duijn dat inspraakrondes voor het volk iets zijn waarbij politici hun handen vrijhouden om zelf te beslissen. En ze zijn daarmee dus niet meer dan “een advies van het volk aan de politici”.

Een (onvoorwaardelijk) referendum daarentegen zou werkelijke overdracht van beslissingsbevoegdheid van de vaak falende politici aan het volk zijn, schrijft hij. Als een soort vertragingsmanoeuvre 'frommelt' dit paarse kabinet het idee van een correctief referendum tussen die twee uitersten, zo luidt de kritiek van Van Duijn. Uit de formuleringen die hij daarbij kiest ('ons', 'wij') blijkt dat hij namens het volk pretendeert te spreken. Laat ik vooropstellen dat Van Duijn niet namens mij spreekt. Vervolgens wil ik opmerken dat, het volk tijdens de inspraakrondes niet de politici “adviseert”, maar bezwaren kan indienen tegen de door de politici en hun ambtenaren opgestelde plannen. Tenslotte deel ik Van Duijns kritiek op het 'bedenksel' van het paarse correctieve referendum, maar om andere reden. Ik zou het namelijk enigszins bevreemdend vinden als in een tijd van ingewikkelde politieke beslissingen het volk de politici zou moeten adviseren - in het politieke concept van de Romein Cicero was het al de senaat die het volkstribunaal adviseerde en niet andersom. Daarbij dient evenwel opgemerkt dat ik - en daarmee sluit ik me weer bij Van Duijn aan - niet door alle politici zo bijzonder geïmponeerd wordt als het om hun deskundigheid gaat.

    • Paul Ophey