Meisjes hoeven niet naar havo

De Pakistaanse Imran voert in de klas de helft van de tijd het hoogste woord. De woorden komen dan ook gemakkelijk uit zijn mond. Het is een klein, tenger, beweeglijk en schrander kereltje, dat overal op reageert.

Als ik Imran niet hoor, hoor ik de Marokkaanse Hasna, want ook zij praat gemakkelijk. Het zal geen toeval zijn dat leerlingen voor wie het zo belangrijk is te praten, zich ook in een vreemd land, in een vreemde taal, het snelst leren uitdrukken - althans mondeling.

Hasna en Imran, beiden dertien jaar, zijn dus concurrenten - in de strijd om mijn aandacht. Hasna zit vlak voor me maar Imran zit middenin de klas en is dus in het nadeel; om dit nadeel te ondervangen is hij ertoe over gegaan, telkens als hij wat wil zeggen, met opgestoken vinger naar mij toe te lopen. Staat hij eenmaal naast mij, dan laat hij zich maar moeilijk terugsturen naar zijn bank.

Is het om deze concurrentiestrijd dat Hasna en Imran ook voortdurend ruzie hebben? Het was in het begin van het jaar vooral Hasna - een paar maanden langer op school - die Imran provoceerde, maar Imran zou Imran niet zijn als hij het erbij had laten zitten en dus vlogen de scheldwoorden in rap tempo over en weer. De magere Imran was een 'kippepoot' en een 'sprinkhaan', de dikke Hasna een 'varken' en een 'brood'.

“Waarom eigenlijk brood”, vroeg ik eens.

Die vraag leek Imran te verbazen, zo vanzelfsprekend was het voor hem: “Brood begint klein maar wordt heel groot.”

Inmiddels, met driekwart van het schooljaar achter de rug lijken de twee zich met elkaar te hebben verzoend. Onbewust misschien hebben ze beiden genoegen genomen met een deel van mijn aandacht. Het komt nu zelfs voor dat ze poeslief zijn tegen elkaar.

Zoals die keer dat wij over vrouwen en werk spraken. Imran merkte op dat hij later een vrouw wilde die niet zou werken maar die voor de kinderen zou zorgen en goed kon koken.

“Dan wordt het nog moeilijk voor je hier in Nederland een vrouw te vinden,” zei ik.

Zartasha, ook uit Pakistan en ook dertien jaar, riep lachend: “Hij gaat halen vrouw in Pakistaanse dorp!”

Imran bevestigde ernstig dat hij, inderdaad, liever geen Pakistaans meisje wilde dat hier was opgegroeid.

“Die luister niet naar hem,” riep Zartasha, weer lachend, en Imran boog het hoofd en hield zich stil.

Ik vroeg de meisjes of zij na school wilden studeren, om vervolgens te gaan werken, of liever huisvrouw wilden worden. Allen zeiden te willen studeren.

“Zie je wel, Imran”, zei ik, “het gaat echt moeilijk voor je worden.”

“Ik geloof niet van allemaal”, antwoordde Imran tot mijn verbazing.

“Wie gaat dan niet studeren, volgens jou? Zartasha niet? Nounja niet?”

Imran wilde eigenlijk niets meer zeggen, maar de meisjes drongen nu zelf aan. Uiteindelijk bekende hij: “Ik geloof niet van Hasna.”

“Waarom Hasna niet?”

“Nee meneer, niets, ik denk gewoon.”

“Maar je denkt dat niet zomaar... Waarom denk je dat dan?”

“Laat maar meneer, ik denk gewoon zo. Is niet belangrijk.”

Imran maakte niet alleen mij maar ook de anderen steeds nieuwsgieriger. Hasna zelf zei: “Omdat ik hoofddoek draag.”

“Is dat zo Imran, denk je het daarom?”

“Ja, ook, beetje...”

Het was duidelijk dat er nog iets was.

“En waarom nog meer?”

“Is niet belangrijk meneer, kunnen wij nu verder gaan?”

Kunnen wij nu verder gaan... Imran kan erg vertederend zijn. Maar ik was te nieuwsgierig. Waarin verschilde, in zijn ogen, Hasna van de anderen? Ze behoorde, met Imran, tot de meest bijdehante leerlingen. Waarom zou dan juist Hasna huisvrouw moeten worden? Waarom? Ik moest minstens vijf minuten trekken - samen met de anderen - eer Imran het durfde te zeggen.

“Zij is ook eh... beetje dik.” Hij glimlachte daarbij verontschuldigend, naar Hasna.

Hoe vaak had Imran haar niet voor varken uitgescholden? En hoe voorzichtig was hij nu! Een aantal leerlingen begon te lachen en hoewel ik die aandrang ook voelde, leek het me niet aardig; ten slotte had Imran op mijn verzoek zijn redenen onthuld. Klaarblijkelijk was Hasna, in Imrans wereld, hard op weg zo'n dikke, goed verpakte Marokkaanse vrouw te worden, die hij hier op straat achter hun man aan zag lopen.

Zo voorkomend was hij echter maar zelden tegenover Hasna. Al hadden ze dan geen ruzie meer, het was vooral Imran die het niet kon laten van tijd tot tijd nog een speldeprikje uit te delen. Op driekwart van het jaar kreeg Imran de prognose 2 havo. Hasna, daar waren alle leraren het over eens, zou in 2 mavo beter op haar plaats zijn. Dat kwam hard aan.

Ze had haar zinnen op de havo gezet; haar oudere zus, die tegelijk met haar in de schakelklas begonnen was, was al vorig jaar naar 2 havo gegaan; precies daarom, omdat Hasna meer tijd nodig had, meenden wij dat mavo haar beter paste. Hasna echter geloofde dat het ergens anders aan lag.

“Jullie sturen alle meisjes met hoofddoek naar mavo, meisjes met hoofddoek mogen niet naar havo, jullie denken alle moslimmeisjes zijn te dom voor havo.”

“Maar je zus draagt toch ook een hoofddoek”, zei ik, verbijsterd. Zoiets had ik nog nooit van een leerling gehoord. Meende Hasna dan dat wij leraren er precies zo over dachten als Imran? Voelde ze zich werkelijk zo gediscrimineerd?

Een tijdje was Hasna erg verdrietig. Ik had medelijden met haar: ze deed zo haar best. Het viel me op dat Imran zijn '2 havo' absoluut niet uitbuitte; hij had nu tegenover Hasna een geducht wapen in handen, zo leek me, maar hij liet het ongebruikt. Zelfs toen hij, refererend aan ons eerdere gesprek, voor de grap opmerkte dat 'meisjes niet naar havo hoeven' - je kon immers ook een goede huisvrouw worden zonder de havo - had hij niet eens Hasna op het oog; er zaten nog drie, vier meisjes in de klas die 2 mavo als prognose hadden. Vanzelfsprekend namen alle meisjes aanstoot aan deze opmerking.

Hasna en Nounja keken elkaar aan en keken vervolgens naar mij. “Dat hoeven jullie niet te nemen”, zei ik, waarop de meisjes onmiddellijk opstonden en achter Imran aan gingen. Ze hadden hem snel te pakken. Imran was geen partij voor ze: Hasna was minstens twee keer zo zwaar, en Nounja was een van nature sterk, gespierd meisje. Samen grepen ze de kleine Pakistaan bij de lurven en duwden hem met zijn hoofd onder de kraan. Imran stribbelde niet eens tegen; de overmacht was te groot. Pas toen zijn dikke, zwarte haar doornat was, lieten de meisjes hem los.

De arme sprinkhaan droop met gebogen hoofd af; en met de tranen in de ogen. Ik had het niet begrepen - het was een warme dag en het leek mij dat Imran zijn verdiende loon kreeg - maar nu vond ik het toch zielig voor hem. De hele klas lachte hem uit. Ik liep naar hem toe, nam hem mee naar de toiletten en droogde daar zijn haar. Terwijl hij bezig was weer enig model in zijn haar te brengen, liep ik terug naar de klas en vroeg de leerlingen niet te lachen als Imran terugkwam; hij was nu wel voldoende gestraft.

Toen hij binnenkwam had ik de les al hervat; alle leerlingen hielden, enigszins krampachtig, de ogen op het boek gericht. Zonder iemand aan te kijken, nog altijd met gebogen hoofd, schoof Imran in zijn bank en veinsde, met een boos gezicht, interesse voor de tekst in het boek.

    • Kees Beekmans