Ik droomde van een baan achter de kassa

Haar sollicitatiebrief had schooldirecteur F. van Erven bijna verscheurd. Opleiding: huishoudschool. Sociale vaardigheden: geen. Praktische vaardigheden: geen. Hobby's: geen. Maar zodra hij de drempel van de sociale dienst overstapte en Lenie Renne zag wist hij dat hij goed had gedaan. Dít was zijn toekomstige schoolhulp. “Het klikte direct”, zegt de directeur. “Ze bleek nog bij de pinken ook.” Lenie Renne (30) bloost als ze de woorden van de directeur hoort: “Ik ben veel beter in kletsen. Wist ik veel wat ik moest invullen. Alles staat al gauw zo opschepperig.”

Op 1 september stapte Renne als schoolhulp basisschool De Plataan (170 leerlingen) in Den Bosch binnen. Ze is een van de vijftien langdurig werklozen die de gemeente als schoolhulp op openbare scholen heeft aangesteld, met 40.000 gulden subsidie van minister Melkert (sociale zaken) per jaar per baan. Ze zijn hulpconciërge, bewaken de fietsenstalling, of verrichten hand- en spandiensten voor de leerkrachten. De schoolhulpen verschillen van de 1.550 onderwijsassistenten die staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) wil aanstellen op basisscholen. Die helpen de leraren met lesgeven en beschikken ten minste over een mbo-diploma.

Op De Plataan werkt Renne elke week haar rooster af, een eigen groep heeft ze niet. Van negen tot half tien helpt ze een elfjarig Vietnamees meisje uit groep zeven met lezen, breuken en tafels. Aansluitend “pakt ze haar tasje” en staat ze, drie ochtenden in de week, de leerkracht van groep vijf terzijde bij 'circuit' - lezen, schrijven of rekenen op verschillende niveaus. Verder geeft ze groepen computerles, zet een documentatiecentrum op poten en loopt op vrijdag mee naar het gymnastieklokaal, een paar straten verderop. De kleuters zijn toevertrouwd aan de zorgen van collega-schoolhulp Carina, die als kapster geen werk vond. Renne grijnst: “Er is daar een ventje dat elke dag in zijn broek poept. Die moet ze ook verschonen.”

Van haar eigen schooltijd herinnert Lenie Renne zich niet meer dan dat ze “geen studiepik was” en altijd achterstevoren zat. “Ik zat meer te galbakken dan dat ik nou echt genoot van mijn schooltijd. Ik droomde van een baan achter de kassa in de supermarkt. De knoppen, het tikken en de klanten die je in de stad groeten omdat ze je herkennen. Dus ik ging de winkel in. Na vijf jaar boterde het niet meer. Ik stapte over naar een schoonmaakbedrijf. Tot ik in verwachting raakte. Toen bleek dat ik een hernia had opgelopen.”

De daaropvolgende zes jaar zat Renne werkloos thuis. De eerste twee jaar met een WAO-uitkering, later werd het de bijstand. Rouwig was ze er niet om. Ze had geen man en haar zoontje Jeffrey wilde ze onder geen beding “bij de kinderopvang dumpen”. Ook het arbeidsbureau stuurde haar daarom naar huis: “Zij zeiden: jas aan vrouwke, kom over een jaar of tien maar terug. Dan is je kind groot genoeg.”

Maar de bijstandswet werd strenger. Renne moest werken, de sociale dienst zou zorgen dat haar vijfjarig zoontje met de bus van en naar school werd gebracht. Ze kreeg een baan aangeboden in de gezinszorg, van negen tot twaalf 's morgens. Leuk werk, maar waar moest ze Jeffrey laten in de lange schoolvakanties? Lenie Renne: “In feite wordt het gewoon voor je uitgemaakt. Dat het niet goed is voor je kind: dat zagen ze bij de sociale dienst niet. Ik was al gekeurd toen deze baan kwam. Ik dacht dat is het. Jeffrey blijft tussen de middag over op school en 's middags kan ik hier om kwart voor drie weg, net op tijd om hem op te halen. En daarna gaat alles weer net zoals vroeger.”

Er stapt een jongen van een jaar of tien binnen, guitige blik onder zijn baseballpet. “Ha die Lenie”. “Hé, Frenkie-boy. Gaan we weer rekenen?”“Ik kom straks.” “Goed menneke. En dit keer netjes hè.” Dan terzijde: “Ik moet maar gauw een cursus gaan doen. Ge zult uw neus maar stoten als er een kindje komt die uitleg vraagt en ge snapt het zelf niet.”