Het klimaat dreigt te veranderen, en het kabinet doet te weinig

Als we het klimaat willen houden zoals het is, moeten de geïndustrialiseerde landen hun CO-uitstoot de komende eeuw met ten minste 80 procent verminderen. De plannen van het kabinet leveren daaraan nauwelijks een bijdrage, vinden W.C. Turkenburg en L.B.M.M. Boels.

Sinds de publikatie van het Brundtland-rapport Our Common Future is het streven naar duurzame ontwikkeling zowel nationaal als internationaal uitgangspunt van overheidsbeleid geworden. Een van de grote bedreigingen die zich hierbij voordoen is het risico van klimaatverandering als gevolg van menselijk handelen. De concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer dreigt tot onaanvaardbare hoogte te stijgen. Om dit te voorkómen is in 1992 de United Nations Framework Convention on Climate Change vastgesteld. Dit verdrag is inmiddels door vele landen, waaronder Nederland, en door de Europese Unie ondertekend.

Het Nederlandse klimaatbeleid, zoals beschreven in de Nota Klimaatverandering van 1991, sluit direct aan op de internationaal overeengekomen doelstellingen. In deze nota is geformuleerd dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer “moet worden gestabiliseerd op een niveau ruim beneden een verdubbeling van het pre-industriële niveau in termen van CO-equivalenten”.

Voor alle broeikasgassen (naast COonder meer methaan, cfk's, lachgas) tezamen betekent dit: stabilisatie van de atmosferische concentratie van deze gassen op een niveau dat ligt beneden de 580 ppm (parts per million, volumdeeltjes), gemeten in CO-equivalenten. Voor het broeikasgas CObetekent dit een niveau dat vooralsnog niet hoger mag zijn dan circa 450 ppm. Ter vergelijking: het pre-industriële CO-niveau was circa 280 ppm. Het huidige CO-niveau is bijna 360 ppm.

Recente studies van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) laten zien dat stabilisatie van de CO-concentratie in de atmosfeer op een niveau van maximaal 450 ppm vereist dat de mondiale uitstoot van CO ten gevolge van menselijk handelen de komende eeuw wordt teruggedrongen. Thans bedraagt deze uitstoot jaarlijks ongeveer 7 Gigaton koolstof, waarvan circa 6 Gigaton als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen. Aan het eind van de volgende eeuw zou deze uitstoot moeten zijn teruggedrongen tot circa 3 Gigaton koolstof. Dit impliceert een reductie met ten minste 50 procent. Omdat realisatie hiervan gecombineerd moet worden met een rechtvaardiger verdeling van de welvaart - en dus van het energiegebruik - tussen Noord en Zuid, kan deze doelstelling alleen worden bereikt als de geïndustrialiseerde landen hun CO-uitstoot de komende eeuw met ten minste 80 procent verminderen. Per jaar gemiddeld betekent dit een vermindering van ongeveer 1,5 procent.

De aangegeven reductie van de CO-uitstoot kan alleen worden bereikt wanneer de manier waarop wij thans energie consumeren en produceren ingrijpend wordt veranderd. Dit vergt nieuw beleid langs onderstaande lijnen:

1. Veel efficiënter toepassen van energie en materialen. Studies laten zien dat deze efficiency voor het midden van de volgende eeuw, met een factor 4 (!) kan worden verbeterd, mits het beleid daar vanaf nu op wordt gericht. Aldus zou een besparing van ongeveer 75 procent kunnen worden bereikt.

2. Stimuleren van energieopwekking uit hernieuwbare bronnen. Naast waterkracht en wind, biedt met name het directe gebruik van zonne-energie en het benutten van biomassa geweldige mogelijkheden. In de loop van de volgende eeuw kan meer dan 50 procent van de wereldenergiebehoefte uit hernieuwbare bronnen worden gedekt. Om dit te realiseren zal het beleid zich veel meer dan nu op ontwikkelingslanden moeten richten.

3. Schoon en efficiënt winnen, transporteren en inzetten van fossiele brandstoffen. Een technologie die hierbij, vanwege het broekasprobleem, veel aandacht verdient is het ontkolen van rook- en stookgassen, bijvoorbeeld door CO af te vangen en op te slaan in lege aardgasvelden. In de ontwikkeling van de technologie speelde Nederland tot voor kort een toonaangevende rol; door de bezuinigingen op het energie- en milieuonderzoek van ruim een jaar geleden is dat nu niet meer zo.

4. Inzetten van brandstoffen met een zo laag mogelijk koolstofgehalte. In Nederland vergt dit een beleid dat zich sterk op het schoon en efficiënt gebruik van aardgas richt. Zo kan aardgas een belangrijke rol spelen bij het produceren van methanol of waterstof als brandstof voor een nieuwe en zeer schone generatie auto's, te weten de brandstofcelauto, waaraan thans de auto-industrie werkt.

Zoals hierboven aangegeven moet het beleid in Nederland zijn gericht op het terugdringen van de CO-uitstoot met ruim 1 procent per jaar gemiddeld. Het reduceren van deze uitstoot met 3 tot 5 procent in het jaar 2000 ten opzichte van het jaar 1990, waaraan Nederland zich internationaal heeft gecommitteerd, moet hierbij als een tussendoel worden gezien. Maatregelen die worden getroffen om dat tussendoel te bereiken moeten bijdragen aan de ontwikkeling van een duurzaam systeem van produktie en consumptie van energie op langere termijn. Om het tussendoel in 2000 te bereiken stelt het kabinet een aanvullend pakket van maatregelen voor. Dit pakket is te mager, zeker indien er tegenvallers optreden in de uitvoering van het klimaatbeleid. Wij vrezen dat dergelijke tegenvallers zullen optreden omdat het kabinet in zijn brief uitgaat van twee - voor het klimaatbeleid gunstige - factoren die niet waarschijnlijk gelijktijdig zullen optreden. Deze twee factoren zijn een lage economische groei en een hoog besparingstempo. Wij verwachten dat er bij een lage economische groei minder ruimte is voor investeringen in energiebesparing, zodat het tempo daarvan zal terugzakken. Extra maatregelen zijn dus nodig, opdat bij hoge economische groei ten minste het tussendoel van minus 3 procent wordt gehaald. Daarnaast vragen wij ons af of het verstoken van hout uit Oost-Europa, zoals thans wordt voorgesteld, past binnen het streven naar een duurzame ontwikkeling. Dit vereist het geven van (meer) inzicht in ondermeer de herkomst en kwaliteit van het hout, de mogelijkheden om aan dit hout een nuttiger toepassing te geven, de mogelijkheden om het hout voor het opwekken van energie in Oost-Europa te gebruiken, en de bijdrage die deze houtinzet levert aan het ontwikkelen van duurzame energietechnologie.

Voor uitbreiding van het pakket maatregelen bestaan diverse mogelijkheden: Extra uitbreiding van groot- en kleinschalige warmtekracht (inclusief warmtedistributie) met circa 1000 MW en, in het verlengde hiervan, demonstratie en toepassing van de elektrische warmtepomp. Een meer specifieke bevordering van energiebesparing door 'good house keeping'. Nog steeds gaat onnodig veel energie verloren door slecht ingeregelde of op elkaar afgestelde apparatuur. Voorbeelden hierbij zijn de slechte inregeling van HR-ketels en de slecht op elkaar afgestelde apparatuur voor verwarming, koeling en luchtverversing in kantoorgebouwen. Verdere stimulering van hernieuwbare energiebronnen, anticiperend op de mogelijkheden die deze energiebronnen internationaal gaan bieden. Realisatie van een demonstratieproject voor het afvangen en opslaan van CO. 'Ecologisering' van het belastingstelsel door heffingen op emissies en het gebruik van grondstoffen. Uit onderzoek van onder andere het Centrum voor Energiebesparing en schone technologie is bekend dat door ecologisering de externe kosten door milieuschade aanzienlijk verlaagd kunnen worden. Normstelling die technologische vernieuwing stimuleert en zicht biedt op een schonere en efficiëntere energievoorziening op langere termijn. Maken van nieuwe meerjarenafspraken gericht op het ontwikkelen en toepassen van energiebesparingsmogelijkheden op langere termijn (het jaar 2010 en daarna) met een simpele terugverdientijd van bijvoorbeeld zes jaar en minder. Verdere uitbreiding van de energieheffing voor grootgebruikers, met uitzondering van de zeer concurrentiegevoelige industrie, en met mogelijkheid van ontheffing wanneer over energiebesparing meerjarenafspraken worden gemaakt en nagekomen. Verhoging van de energietarieven door een systematische toename van de elektriciteits- respectievelijk aardgasheffing na 1986 respectievelijk 1998 in kleine, bescheiden stappen.