Dubbelspel met werklozen

Een alliantie van hebzuchtige belangengroepen en zichzelf met graagte profilerende politici dreigt de fiscale wetgeving nog veel ingewikkelder te maken dan zij nu al is. De oorzaak ligt in het recente wetsontwerp dat is gedrukt als kamerstuk nummer 24 458. Dit omvat negentien dichtbedrukte pagina's met wetsartikelen. Stemt de volksvertegenwoordiging met de voorgestelde regeling in, dan krijgen ondernemers met ingang van volgend jaar aanspraak op een reeks belastingvoordelen. Zoals bekend zijn werkgevers verplicht loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen in te houden op het loon dat zij aan hun werknemers uitbetalen en moeten zij de ingehouden bedragen vervolgens overmaken naar de belastingontvanger. Vanaf 1996 kunnen werkgevers in bepaalde gevallen forse kortingen claimen op de af te dragen loonbelasting en premies. Nemen zij iemand in dienst tegen ten hoogste 115 procent van het minimumloon, dan bedraagt de belastingvermindering 1185 gulden (op jaarbasis). Gaat het om een langdurig werkloze, dan komt daar gedurende maximaal vier jaar een extra vermindering van 4500 gulden per jaar bovenop. Ook voor personeel dat werkzaam is op basis van het leerlingwezen en voor jonge universitaire onderzoekers geldt straks een vermindering van 4500 gulden per jaar.

Al deze verminderingen mag de werkgever verrekenen met het bedrag dat hij wegens ingehouden loonbelasting en sociale premies aan de belastingontvanger moet overmaken. Met de opgesomde lastenverlichtingen is (netto) in totaal bijna 1 miljard gulden gemoeid. Zij beogen de banengroei te bevorderen. Aan een schatting van de te verwachten extra banengroei waagt de regering zich echter niet.

Met dit wetsontwerp draait de regering belastingbetalers en werkzoekenden een rad voor ogen. Via een samenstel van ingewikkelde regelingen wordt een miljard gulden naar werkgevers gesluisd, zonder dat enige zekerheid bestaat over de banengroei als gevolg van die maatregelen. Tegelijk heeft het door kortzichtige motieven geïnspireerde fiscale beleid van de afgelopen jaren de werkloosheid met 50.000 tot 100.000 personen doen toenemen. Dit wordt aannemelijk gemaakt in een door weinigen opgemerkt artikel dat Dr Henk Vording recent publiceerde in het Weekblad voor fiscaal recht. Hij wijst erop dat de jaarlijkse koopkrachtplaatjes vooral door toedoen van de PvdA zijn opgesierd ten koste van de werkgelegenheid. Om de koopkracht van de laagste inkomens te beschermen is de heffingsvrije voet fors opgetrokken, van 4568 gulden (1990) tot 7003 gulden (1996). De heffingsvrije voet is het eerste stuk van het belastbaar inkomen waarover geen belasting en premies voor de volksverzekeringen verschuldigd zijn. Daarnaast is het arbeidskostenforfait verhoogd om de afstand tussen netto lonen en netto uitkeringen te vergroten, teneinde zo het aanvaarden van betaalde arbeid iets lonender te maken. Het arbeidskostenforfait is een bedrag dat werknemers zonder nader bewijs op hun bruto loon in aftrek mogen brengen, ongeacht de werkelijke hoogte van hun kosten. Dit forfait is de afgelopen jaren ruimschoots verdubbeld, van 1015 gulden (1990) tot 2507 gulden (1996).

De forse verhoging van zowel de heffingsvrije voet als het arbeidskostenforfait heeft het bedrag waarover in feite loonbelasting en premies volksverzekeringen worden geheven aanzienlijk versmald. De met de genoemde maatregelen gemoeide bedragen hadden ook kunnen worden gebruikt voor een verlaging van het tariefpercentage dat is verschuldigd over het belastbaar inkomen in de eerste tariefschijf (1996: 37,5 procent) tot circa 33 procent. Een vergelijking van het in de jaren 1990-1995 gevoerde beleid met het alternatief van een 4 tot 5 punten lager tarief voor de eerste schijf laat minimale verschillen in uitkomsten zien, zowel voor de koopkracht als voor de afstand tussen netto lonen en netto uitkeringen. Verlaging van het tariefpercentage had blijkens simulaties met het MIMIC-model van het Centraal Planbureau echter 50.000 tot 100.000 meer banen opgeleverd.

Het kabinet speelt met de werklozen dus dubbelspel. Dat is geen boze opzet. Maar door hun fixatie op jaarlijkse tariefaanpassingen en het gemillimeter achter de komma van koopkrachtplaatjes verliezen beleidsmakers het zicht op ontwikkelingen op langere termijn, zoals de stapsgewijze erosie van de heffingsgrondslag van loonbelasting en sociale premies. Bovendien bestaat het tarief van de eerste schijf voor slechts 6 tot 7 punten uit loonbelasting en voor meer dan 31 punten uit premies voor de volksverzekeringen. De premiestijging als gevolg van de smallere heffingsgrondslag komt bij de parlementaire besluitvorming over het belastingplan slechts zijdelings aan de orde. Hierdoor blijft verreweg het grootste deel van de tariefstijging in wezen buiten beeld. Illustratief is dat de premie voor onze bekendste volksverzekering, de AOW, van 1995 op 1996 met 0,85 punt stijgt (van 14,55 tot 15,4 procent), niet zozeer als gevolg van de voortschrijdende vergrijzing van de bevolking, maar veeleer door de opgetreden versmalling van de grondslag voor de premieheffing.

Het parlement zal wetsontwerp 24 458 wel voor zoete koek slikken. De vermeende positieve gevolgen van de voorgestelde faciliteiten geven vermoedelijk de doorslag. Hun overbelaste agenda ontneemt kamerleden de tijd voor een afstandelijke blik die leert dat de voor lastenverlichting beschikbare miljard gulden beter kan worden gebruikt om het tariefpercentage van de eerste schijf te verlagen, juist in het belang van de werkgelegenheid.

    • Flip de Kam