Berust de moraal op zichzelf?

Onder artikelen op deze pagina staat soms de mededeling dat de auteur filosoof is. Daar stel ik mij dan onmiddellijk een man met een baard bij voor, diep in gedachten en omringd door folianten. Zoiets als op het gelijknamige schilderij van Rembrandt.

Maar zo'n man moet toch ook nog ergens van leven? En is filosoof een beroep, behalve voor de enkele hoogleraren in de filosofie? “Ik ben Brahman, maar we zitten zonder meid”, schreef de dichter Dèr Mouw, door Jenny Arean in De Volkskrant van vrijdag aldus eigentijds vertaald: “...de plee moet ook geschrobd”.

Een van de filosofen die zich daar geen zorgen over hoeven te maken is Herman Philipse, want hij is hoogleraar. Ruim een jaar geleden hebben de lezers van onze krant kennis met hem kunnen maken via een artikel van zijn hand (8 september 1994), dat nogal wat reactie uitlokte, waarop hij in een tweede artikel (22 september 1994) antwoordde.

Zijn betoog kwam hier op neer: religie geeft geen geldige rechtvaardiging voor moraal. Ook ik deed een duit in het zakje en verklaarde mij hiermee in deze rubriek (7 oktober 1994) akkoord, maar vroeg: waarop berust de moraal dan? Wat is “de instantie die, los van tijd en plaats, uitmaakt wat goed en kwaad is”? Einde van de discussie.

Toch niet. Want Philipse heeft een jaar later een boekje het licht doen zien, waarin hij op deze zaak terugkomt: Atheïstisch manifest: drie wijsgerige opstellen over godsdienst en moraal (uitg. Prometheus), waarvan het eerste opstel het artikel van 8 september 1994 is, gedeeltelijk herschreven; en het derde meer specifiek over de “grondslagen van de moraal” gaat.

In zijn inleiding schrijft Philipse dat het zijn “oogmerk is een discussie op gang te brengen”. Aannemend dat hij daarmee een ruimere discussie bedoelt dan uitsluitend tussen filosofen, waag ik het mij opnieuw in de discussie te mengen, vooral omdat hij deze keer wèl de vraag naar de uiteindelijke fundering van de moraal probeert te beantwoorden.

Maar zijn vraagstelling is anders dan de mijne. Hij stelt in de inleiding tweemaal de vraag: “Is het mogelijk morele normen te rechtvaardigen door een beroep op religie?” Voor iemand die, zoals hij en ik, areligieus is, is die vraag niet zo interessant, vind ik. Interessanter lijkt mij de vraag of dit mogelijk is zonder zo'n beroep.

“Rechtvaardiging van normen vindt niet plaats in het luchtledige”, schrijft Philipse. Aha, denk je dan, die rechtvaardiging moet dus buiten dat luchtledige, in een vast punt dus, gevonden worden. Maar nee, want Philipse laat er onmiddellijk op volgen: “De noodzaak tot rechtvaardiging doet zich voor binnen een culturele context...”

En iets verderop: “Wanneer iemand telkens om verdere rechtvaardiging vraagt, kunnen we ten slotte alleen nog antwoorden: 'Zo doen we het nu eenmaal'. Er zijn dus geen zekere eerste beginselen van rechtvaardiging (...). De basis van de rechtvaardiging bestaat louter uit een feitelijke eensgezindheid over normen.”

Als niet-gelovige ben ik het hier niet mee oneens. In de praktijk zal het wel zo zijn dat de culturele context bepalend is voor onze normen, maar toch vind ik dit antwoord onbevredigend - niet op cultuur-historische of sociologische, maar op filosofische gronden.

In de eerste plaats meen ik dat juist de filosoof telkens om “verdere rechtvaardiging” moet vragen en er zich niet van moet afmaken met een 'zo is het nu eenmaal'. In de tweede plaats: heeft de “culturele context” waarbinnen, volgens Philipse, de noodzaak tot rechtvaardiging van normen zich voordoet, geen ankerpunt buiten zichzelf, zweeft die dus in een luchtledig - waarbinnen, aldus Philipse, rechtvaardiging van normen niet plaatsvindt? Berust, met andere woorden, de moraal op zichzelf?

Zelf suggereerde ik in mijn stuk van 7 oktober 1994 dat de moraal “een middel tot zelfbehoud van een groep, een vlag op een modderschuit dus” is, maar dat wil niet zeggen dat ik die suggestie - die overigens niet veel afwijkt van Philipses “culturele context” - filosofisch wèl bevredigend vind, want ik liet erop volgen: “maar ook een vlag is een symbool van een hoger beginsel, reëel of fictief”.

Nu erkent Philipse, bij nader inzien, toch nog een wijdere context dan de culturele, namelijk de biologische. Maar terwijl hij in zijn artikelen van ruim een jaar geleden de “biologische basis voor morele eensgezindheid” naast de cultuur-historische plaatste, plaatst hij de biologische context nu om de culturele heen. Of zoals hij schrijft:

“We kunnen de drie lagen van moreel bewustzijn (...) grafisch voorstellen als drie concentrische cirkels. De buitenste cirkel bevat de biologisch bepaalde, min of meer universele elementen in de moraal. Deze elementen fungeren als randvoorwaarden voor de selectie van morele systemen van de middelste cirkel, de cirkel van culturele tradities. (...)

“Het is duidelijk dat voor selectie van normensystemen in de buitenste cirkel geen verdere normen beschikbaar zijn. De selectie geschiedt hier louter door de omstandigheden.” (De derde, binnenste cirkel is “die waar individuele vrijheid heerst” en blijft verder buiten beschouwing.)

Er blijkt dus buiten de culturele context toch, anders dan Philipse eerder zei, een rechtvaardiging van morele normen te vinden te zijn. Het is de biologische context of cirkel waarbuiten geen beroep meer mogelijk is. Deze vaststelling heeft verregaande consequenties, maar daar zal ik niet op ingaan.

Immers, in zijn inleiding schrijft Philipse zeer terecht: “Het zou een wijsgerige blunder zijn deze vraag” (namelijk de vraag of religie een rechtvaardiging biedt voor moraal) “te willen beantwoorden op grond van de feitelijke gevolgen van religieuze overtuigingen. (...) Of religie een geldige rechtvaardiging kan geven voor moraal kan alleen beslist worden door strikt wijsgerige argumenten en nooit door te wijzen op de eventuele schadelijke of heilzame gevolgen die een godsdienstige overtuiging heeft voor iemands morele houding.”

Heel juist. Des te meer verbaast het mij dus dat hij aan het eind van zijn laatste opstel het “funderingsmodel” - dat de rechtvaardiging van normen zoekt in een absoluut zekere grondslag - “conservatief en fantasieloos” noemt, ja, sterker, zegt dat het leidt tot “dogmatische onverdraagzaamheid”, nòg sterker: “tot totalitarisme en moreel verval”.

In de marge van deze passages had ik geschreven: So what? Niet dat ik bang ben voor deze gevolgen, maar filosofisch zijn ze onverschillig, zoals Philipse zelf met zoveel klem in zijn inleiding had betoogd. Niet alles wat waar is, is ook prettig of zelfs aanvaardbaar.