Belastingadviseurs in de problemen

Drie keer per jaar houdt de Utrechtse politierechter zitting voor verdachten die hun fiscale verplichtingen niet zijn nagekomen. Het is een leerzame zitting, vooral voor mensen die de neiging hebben het opsturen van hun aangifteformulier een jaartje, en nòg een jaartje, uit te stellen.

Ook de belastingdienst is altijd nieuwsgierig naar de vonnissen die de rechter velt. Vandaag zit een corpulente vertegenwoordiger van de belastingdienst op de publieke tribune. Hij maakt vlijtig aantekeningen (“voor de terugkoppeling naar de dienst”) en wisselt tussen de bedrijven door van gedachten met de rechter en de officier van justitie. De verdachten zijn meestal goede bekenden van hem, hij praat over hen met de vrolijke deernis waarmee de barkeeper zijn habituele dronkelappen beziet.

Zijn korte nabeschouwingen hebben iets ontluisterends. Als toeschouwer heb je bijvoorbeeld net geschokt zitten luisteren naar het hartbrekende verhaal van meneer Tandussen, een kleine zelfstandige, die zich afbeult voor vrouw en dochter (“al 26 jaar en nog steeds inwonend en niet afgestudeerd”) en ondertussen de gieren van de fiscus steeds weer op zijn erf ziet neerstrijken. Nu had hij persoonlijk de fiscus best op tijd willen betalen - tweemaal had hij dat verzuimd - maar zijn belastingadviseur was zijn papieren kwijtgeraakt. De rechter veroordeelt hem tot 2.500 gulden boete en een gevangenisstraf van vier weken voorwaardelijk.

Als meneer Tandussen de zaal heeft verlaten, knort de man van de belastingdienst: “Een notoire wanbetaler. Hij zegt altijd dat hij zijn best zal doen, maar ik weet wel beter.”

Een verdachte hoeft niet op de zitting te verschijnen, hij kan zich ook bij verstek laten veroordelen. Zo heeft meneer Pieters per brief laten weten: “Ik laat mij door de belastingdienst niet als verdachte betitelen en ik zal niet op de zitting verschijnen.” Een blijk van trots dat geen rechter zal vermurwen: hij krijgt 2.500 gulden boete en twee weken voorwaardelijk.

Van de negen verdachten van vandaag oefenen liefst drie het ogenschijnlijk toch zo nobele beroep van belastingadviseur uit. Is dat niet merkwaardig? Dat is het zeker, maar het is niet ongewoon, verzekeren de justitiële autoriteiten. In hun ijver om de klanten op hun wenken te bedienen, laten sommige adviseurs hun eigen aangifte te lang liggen. Althans, dat is hun verweer.

Je kunt het ook omdraaien: zouden deze adviseurs wel zo zorgvuldig omgaan met de formulieren van hun klanten, als ze niet eens hun eigen zaken op orde hebben?

De man van de belastingdienst moet instemmend lachen om deze vraag. “Ik kan u verzekeren dat de klanten van twee van deze verdachten bij ons automatisch de controle ingaan.” Hij zegt het op een de-fiscus-laat-niet-met-zich-spotten-toon die niet voor misverstanden vatbaar is.

Daar komt meneer Catens binnen. Gezien de stand van zijn schouders is het alweer geruime tijd geleden dat het leven hem voor het laatst heeft toegelachen. Hij werpt geen boze blik van herkenning op de belastingman - wat een uiting van wilskracht genoemd mag worden.

Catens heeft verzuimd over 1990, 1991 en 1992 zijn aangifte voor de inkomstenbelasting in te dienen.

“U heeft twee aanmaningen gekregen, vervolgens een laatste uitstel, en u bent door de belasting gehoord”, zegt de rechter, mevrouw mr. M. Veldhuijzen. “Het frappante is: u bent zelf belastingadviseur.”

“Ik liet de aangiften van mijn klanten voorgaan”, zegt ook Catens. “Bovendien werd mijn computer gestolen en liepen mijn medewerkers weg.”

“Wat moeten we nu met u?”

“Ik had teveel werkdruk. In september 1994 is mijn faillissement aangevraagd. Ik heb nog 320.000 gulden te goed van mijn debiteuren.”

“Loopt uw faillissement nog?”

“Ja, eind oktober moet alles rond zijn. We werken toe naar een akkoord met de crediteuren. Ik probeer hen af te kopen met de verkoop van mijn huis.”

“Wat voor werk heeft u nu?”

“Ik werk bij een groothandel.”

“En wat verdient u daar?”

“Bruto 2.500 gulden.”

“U bent getrouwd?”

Catens slikt ontroerd. “Nee, dat kwam er nog bij. Mijn vrouw is ook weg. Ik ben alles kwijt. Ook mijn kinderen willen niets meer met me te maken hebben.”

De rechter schudt het hoofd. “Het is mij een raadsel dat u zo gehandeld heeft.”

“Ik wil er zo snel mogelijk uitkomen. Anders word ik er psychisch gestoord van.”

De officier van justitie mr. O. Brouwer vraagt de verdachte wat zijn totale schuldenlast is. “Vier ton”, zegt Catens, “en dan praten we nog niet over de fiscus.”

“Zat u er niet bovenop bij uw debiteuren?”

“Met de curator is nu tien procent binnengehaald. De rest geeft niet thuis.”

De officier eist een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht weken. “Een geldboete lijkt me niet passend. Hij heeft nog zoveel te betalen.”

De rechter noemt het delict, zeker voor een belastingadviseur, een zeer ernstig feit. “Ik reken het u meer aan dan een gewone burger. De eis van de officier doet daaraan recht: acht weken voorwaardelijk is niet gering. Als u in de proeftijd weer een dergelijk feit pleegt, krijgt u die acht weken. U kunt in beroep.”

“Nee, dat hoeft niet”, zegt Catens.

Hij laat de zaal achter in een doffe stilte, die verbroken wordt door de belastingman. “Die meneer kwam ik laatst nog tegen in een Mercedes”, zegt hij met de stellige dictie van de ingewijde. “Hij rijdt graag Mercedes.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams