Washington Post: Milosevic heeft val Srebrenica gesteund

WASHINGTON, 30 OKT. In de dagen voorafgaand aan het vredesoverleg over Bosnië van woensdag is in de Amerikaanse pers de mogelijke betrokkenheid van de Servische president Milosevic bij de val van Srebrenica opnieuw aan de orde gesteld. Het Joegoslavische leger heeft de Bosnische Serviërs volgens The Washington Post met tanks gesteund bij hun aanval op de moslim-enclave begin juli. De krant baseert zich op informatie van een Amerikaanse inlichtingendienst.

Milosevic zal vanaf woensdag met de presidenten van Kroatië en Bosnië, en onder leiding van de Amerikaanse bemiddelaar Holbrooke, deelnemen aan vredesbesprekingen op de basis Wright-Patterson in Ohio. Republikeinse leiders in het Congres kritiseren de regering-Clinton al weken voor het accepteren van Milosevic als gesprekspartner, gezien diens mogelijke medeplichtigheid aan wreedheden die begaan zijn door de Bosnische Serviërs.

Zowel The Washington Post als The New York Times heeft de afgelopen dagen reconstructies gepubliceerd van de val van Srebrenica, met getuigenverklaringen over massa-executies door Bosnische Serviërs. Volgens de Washingtonse krant heeft de Amerikaanse regering nieuwe luchtfoto's en andere materiaal dat wijst op het bestaan van “ongeveer een half dozijn” massagraven overgedragen aan het internationale tribunaal voor oorlogsmisdaden in Den Haag. The New York Times schrijft vandaag dat na de val van Srebrenica ongeveer zesduizend moslims door de Bosnische Serviërs zijn geëxecuteerd.

De Amerikanen deelden tot 10 juli, de avond voor de val van Srebenica, de mening van generaal Janvier, commandant van de VN-troepen in Bosnië, dat de Serviërs de enclave niet zouden innemen. Tekenend was dat een hoge Amerikaanse diplomaat in Belgrado op 12 juli aan Milosevic vroeg of die zijn invloed kon aanwenden om “een humanitaire ramp” te voorkomen; de Amerikanen maakten zich zorgen over problemen zoals opvang van vluchtelingen. Ze wisten volgens The New York Times niet van de verzoeken om luchtaanvallen van Karremans.

Beide kranten beschrijven de trage Amerikaanse reactie op de eerste berichten over massamoorden. Op 13 juli, twee dagen na de val van de enclave, bereikten Washington de eerste berichten over grootschalige wreedheden. De Amerikaanse ambassadeur bij de VN, Madeleine Albright, vroeg daarop de inlichtingendiensten om bewijsmateriaal.

Op dezelfde dag had een Amerikaanse spionagesatelliet boven Bosnië foto's gemaakt van twee veldjes waar honderden gevangenen bewaakt werden door bewapende mannen. Het zou drie weken duren voordat iemand die foto's te zien kreeg. De analisten gaven prioriteit aan het zoeken naar informatie met een groter militair belang, zoals tekenen van een mogelijke Servische aanval op Zepa en verplaatsingen van Bosnisch-Servische wapens.

Pas op 27 juli, twee weken na de eerste berichten over massa-executies, vloog een Amerikaans U-2-spionagevliegtuig over het gebied, en maakte opnamen waarop dezelfde veldjes te zien waren, met recentelijk omgewoelde aarde. Op 2 augustus werden bij deze foto's de bijpassende opnamen van de door bewapende mannen bewaakte gevangenen gevonden. Albright toonde ze zes dagen later aan de Veiligheidsraad.

Over de Nederlandse rol bij de val van de enclave schrijven de kranten niet veel meer dan al bekend is. Vermeld worden de machteloosheid, de verkeerde inschattingen en de communicatieproblemen. The Washington Post meldt op basis van geheime diplomatieke telegrammen dat Voorhoeve “de situatie in de enclave herhaaldelijk als 'hopeloos' afschilderde, en zich verzette tegen luchtaanvallen van de NAVO, ondanks de verzoeken van de Nederlandse commandant ter plaatse om afschrikkingsaanvallen”.