Tol zoekt zweep

Het was de dag na nieuwjaar en ik keek naar de zolen van de hoofdredacteur. De aanleiding was een soort sollicitatiegesprek voor de post van correspondent in Parijs, waar ik toen al werkte voor andere bladen. Toen, dat was eind jaren zeventig. Het gesprek kwam moeilijk op gang, omdat de hoofdredacteur zijn voeten lang op het bureau liet liggen. Hij legde korzelig uit niet in Franse politiek of cultuur te zijn geïnteresseerd, het diende te gaan over couleur locale, de orgelman op de hoek enzo.

Als er iemand is die kan schrijven over de hoogmoed van de generatie die in de jaren zestig aan de macht kwam, dan wel Herman Wigbold, inderdaad, voormalig hoofdredacteur van Het Vrije Volk.

De jaren zestig zijn in, of beter ze zijn heel erg uit. Door jong en oud wordt afgerekend met de jaren waarin het gezag werd ontheiligd. In retrospectief wordt de verbittering duidelijk van al degenen die twintig jaar lang genegeerd zijn, of althans dat gevoel hebben. Ze hebben overwinterd in hun eigen gelijk, en zie, ze zijn goed uitgerust. In ieder geval hebben al de anderen, die rustig door hebben gefeest met de gedachte dat de tijd niet op kon en de geschiedenis in hun binnenzak meereisde, ineens een forse conditionele achterstand.

Het zijn niet zozeer consistente critici als Couwenberg die om tegenspraak vragen, maar juist de hervormers van toen die er niet echt in slagen een verhouding tot die tijd te vinden. Daarbij denk ik - hoe verschillend ze ook zijn - aan Herman Wigbold, Freek de Jonge en Henk Hofland. Hun problematische omgang met de erfenis van de jaren zestig is wel begrijpelijk want niets is moeilijker dan de boekhouding van je eigen leven. Herman Wigbold heeft zijn bezwaren tegen de verloedering van Nederland neergeschreven. De polemische ijver waarmee hij het recente verleden te lijf gaat is niet gering en treft soms doel. Alleen hij doet aldoor of het andermans verleden is, en dat is vreemd. Zijn opvattingen klonteren teveel: overal ontwaart hij verval en altijd is de oorsprong daarvan duidelijk - de jaren waarin alles anders moest. Hij negeert dat stijl belangrijker is dan standpunten.

In enkele interviews heeft Freek de Jonge ook al terug gekeken op vroeger, de tijd van Neerlands Hoop. Hij loochent in ieder geval niet dat zijn eigen verleden onderwerp van gesprek is. Hij prijst zich gelukkig dat zijn ideeën van toen niet aan de macht zijn gekomen. Ook weet hij wat hij nu wil: een beetje verlichte dictatuur. Dat matiging het wezen van de democratie is, lijkt hem nog steeds een rare gedachte.

Een matiging die natuurlijk dodelijk is voor elke kunstenaar. Freek de Jonge schept zijn eigen universum, waarin hij koning, filosoof en dienstmaagd tegelijk is. De eenpersoonsstaat die hij zo beheert, levert schitterende programma's op, zoals zijn laatste, De Tol. Waar gaat het dan mis? Als het verlangen uit zijn theatrale schulp kruipt. Wanneer hij, ontevreden met alleen zijn succes op het toneel, een spoor in de wereld wil trekken, ergens bij wil horen. Of het nu een actie is tegen het WK voetbal in Argentinië gaat of het geflikflooi met Ajax in de skybox, maakt dan helemaal niet zoveel uit. Het gaat erom dat genres vermengd raken: al dat gekwispel met handtekeningen voor een goede zaak. De Jonge ziet onvoldoende dat de wereld geen podium is.

Wat opvalt is de manier waarop hij zijn verleden benadert, als jeugdzonde. Zinnen als: “Je was blind, dat was uitermate gevaarlijk”. Waarom zou je iemand die zijn verleden zo afschrijft, in het hier en nu opeens wel gaan geloven? Alleen het voortgaande pogen om de eigen geschiedenis bijeen te houden verdient respect. Je moet althans enige liefde kunnen opbrengen voor de motieven achter vroegere daden en woorden.

Generaties zijn een stok om mee te slaan of om mee te gaan. Hoe de verschillen in leeftijd en ervaring verder ook gebruikt worden, het redeneren in generaties is vrijwel altijd een teken van onzelfstandig denken. Het schuilen en kritiseren in groepsverband is een slechte gewoonte.

Henk Hofland heeft zich daar eens aan bezondigd in een fameus gesprek met Blokker en Mulisch. Je proefde in dat gesprek hun verbazing over het uitblijven van vadermoordenaars. Gedrieën kwamen ze destijds tot de slotsom dat de wereld na hen geen talenten van belang meer had voortgebracht. Het is een logische voortzetting van de idee dat de geschiedenis bij de eigen geboorte begint. Toen de geboortengolf zo massief achter hen aan kwam rollen moet de verleiding van die gedachte onweerstaanbaar zijn geworden.

Een zekere hoogmoed is de hervormers van de jaren zestig natuurlijk niet te ontzeggen. Het zijn tovenaarsleerlingen, die zijn geschrokken van wat zich aandiende na de autoriteitscrisis die ze mede hadden ontketend. Hofland is daar een mooi voorbeeld van. Aanvankelijk heeft hij driftig tegels gelicht en meegewerkt aan de onttakeling van het gezag. Na de wraakoefening op Het Bestel, kwam de vrees voor de gevolgen van de ineenstorting ervan. Op een dag moet hem gewaargeworden zijn dat zijn vrijheid een dalend cultuurgoed was: opeens trok iedereen een lange neus naar de overheid. De vrijmaking ontaardde geleidelijk aan in het anything goes: de zorgeloosheid waarmee de publieke ruimte werd uitgewoond, de four wheel drives die de stadsjungle opeens wel erg letterlijk namen.

Ik neem die schrik serieus, en in het geval van Henk Hofland heeft dat fraaie beschouwingen opgeleverd. Alleen waarom schrijft hij nooit iets over de geschiedenis van zijn worsteling met vrijheid en orde? Natuurlijk, het laatste stuk dat je schrijft is altijd het beste, en je memoires kun je sowieso maar beter een jaar uitstellen, maar het is toch niet zo erg om je af te vragen welke de intellectuele weg is die achter je ligt. Hij erkent niet dat schrijven blijven is.

Hubert Smeets schreef afgelopen zaterdag over de duurzame modernisering van de Nederlandse samenleving, die gestalte heeft gekregen in de vermaledijde jaren. Misschien is het gevoel van onveiligheid nu zo sterk, omdat het betrekkelijk besloten en verzuilde Nederland heel snel is opengebroken.

Smeets wees dan ook op de omslag van vrijheid naar veiligheid, van zestig naar negentig. Toch valt er veel te zeggen voor de opvatting, dat vrijheid en veiligheid zowel toen als nu tegelijk worden nagestreefd. Was in de jaren zestig de sociale bescherming in opbouw een voorwaarde van veel culturele vrijmaking, nu lijkt het bijna omgekeerd. De lof van de economische vrijheid gaat hand in hand met een hang naar culturele veiligheid in het gezin en de natie.

Ik kijk zeker niet als een buitenstaander naar die omslag, maar ik zou nooit een tijdvak uit de geschiedenis willen lichten en aanklagen. De jaren zestig waren een reactie op de discipline van de wederopbouw, zoals de jaren negentig een reactie zijn op de jaren van het gedogen. Ook in deze afrekening is veel gekte te bespeuren, die latere waarnemers niet zal ontgaan. De clou van het hele debat over de jaren zestig ligt misschien vervat in een zin van John le Carré: “Most rebels are only looking for a better conformity”.

    • Paul Scheffer