Heerlijk door het slik met de zwempoten

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar wilde eend en knobbelzwaan.

Lang voordat het gebouw begon af te brokkelen had het Architectuur Instituut in Rotterdam al problemen met de vijver. Die is zo strak mogelijk uitgevoerd. Maar herstelwerkzaamheden zorgden enkele jaren geleden voor een surrealistisch natuurtafereel. De grotendeels leeggelopen betonbak bood met modderbanken en geulen de perfecte imitatie van het waddengebied. En daar scharrelden 's nachts opeens talloze stadseenden, hun silhouet afgetekend tegen de veelkleurige neonverlichting: slurpend, slobberend en prutsend. Raar gevlekte bastaardeendjes, soepeenden en natuurgetrouwe individuen deden allemaal even wild. Dit was pas een eendeleven - met je zwempoten half weggezakt in het slik in de voetsporen treden van je voorouders.

De wilde eend is de tamste Nederlandse eend. Sommige dieren leiden nog een echt schuw buitenbestaan, andere blijven permanent in de stad. En weer andere leiden een dubbelleven. Overdag lijken zij in ledigheid het massaal over hen uitgestorte brood te verteren, maar 's nachts gaan ze erop uit voor echt voedsel. Bij eenden zijn de vrouwelijke dieren de norm: die heten eend, de mannetjes woerd. De laatste zijn kleur- en glansrijk; de donkere kop vertoont allerlei verspringende tinten en wordt afgezoomd door een wit halsbandje. De eenden zijn samen te vatten met 'bruin', maar vormen van dichtbij een fijngetekend kunstwerk. Beide geslachten hebben een dubbele witte vleugelstreep die een glanzend donkerblauwe spiegel insluit. Woerden hebben als subtiel herkenningsteken ook nog enkele gekrulde veertjes op de staart.

Alleen vrouwtjes kwaken luidkeels; de woerden laten een fijnbesnaard reb-reb-reb horen, en bij onderlinge rituelen een kort fluitend geluid. Jonge eendjes piepen hartverscheurend - totdat ze de baard in keel krijgen. Waar ze een piep in gedachten hadden, slaat dan de stem over naar een kwaak. Zelf schrikken ze zo van dat vreemde geluid, dat ze er soms wel voor vluchten.

Nu, in het najaar, wordt al weer druk gepaard. Wilde eenden en parkeenden hebben een mooi inleidend ritueel: met pompend op en neer bewegen van de kop peilen eend en woerd elkaars bereidheid. Een in de dierenwereld haast uniek verschijnsel is het beleefde naspel. Na de daad beschrijft de woerd een vloeiende cirkel rond de eend, de kop voor zich uitgestrekt op het water. Druk bezette stadseenden raffelen die beweging vaak af. Een kwartcirkeltje is al mooi zat. En bij de zomerse groepsverkrachtingen ontbreekt ieder ritueel.

Naarmate de grootte van eendesoorten toeneemt, spreekt men steeds meer van ganzen. Die zijn talrijk als doortrekkers en wintergasten, maar door het jaar heen nog niet zo alledaags als je wel zou wensen. De overtreffende trap in grootte - de zwaan - is dat wel. Er zijn verschillende soorten, maar vrijwel ieder zwaan die je van dichtbij te zien krijgt is een knobbelzwaan. U kunt dus altijd zeggen 'Kijk, een knobbelzwaan', wat door het voorvoegsel zeer deskundig klinkt. Hij is de grootste vogel van Nederland: wit, oranje snavel met zwarte knobbel en een geniaal gevonden zwarte verbinding naar het oog. Knobbelzwanen maken wel gebruik van hun stemgeluid, maar spaarzaam en met overleg. Hun zingende vleugels kondigen een vliegende overkomst al van verre aan - dat is de enige echte zwanezang.

Prachtig is hoe een ontspannen zwaan bij mooi weer op halve kracht rondzwemt, met één omhoog geklapte poot in de lucht. Nonchalant, als een Franse automobilist met zijn hand uit het raampje. De overgebleven voortstuwingspoot schuift iets op naar het midden en stuurt perfect. Sommigen beweren dat de rustende poot met zijn enorme zwemvliesoppervlak dient als zonnecollector. Anderen vermoeden dat het juist gaat om het zoeken van verkoeling, volgens het principe van het olifante-oor. We houden het erop dat het gewoon lekker zwemt.

Eenden en zwanen bieden mooi zicht op de verborgen zorgen en twijfels van vogels. Het onvolprezen staartschudden geeft een indirect kijkje in het vogelbrein. Staartschudden is nuttig als onderdeel van het baden, of het zich drogen na een spetterende vechtpartij. Maar eenden en zwanen vertonen het vooral in niet praktische zin: bij iedere vorm van opluchting. Als ze opeens zijn geschrokken van een vervaarlijke hond aan de waterkant, maar vluchten toch overbodig blijkt: staartschudden. Wanneer een landing is volbracht waar de vogel tegen op zag: staartschudden. Neem een enorme knobbelzwaan die bedreigd wordt door een klein waterhoentje dat zijn nest beschermt. Met trots gebogen kop toont de vogel zich ongenaakbaar voor het gescheld, en zwemt schijnbaar onaangedaan en majestueus voorbij. Maar even later blijkt dat het uitblijven van een echte confrontatie hem toch meeviel: staartschudden.

Speciale stadsrisico's: sociale onveiligheid. Jonge eendjes moeten af en toe het droge op kunnen. Steile oevers maken dat onmogelijk. Vroeger schaamden oplettende AOW-ers in oude stadswijken met singels zich er niet voor, om loopplankjes te maken. Soms zelfs met treetjes, voor een prettige stap. Of met een kunstig gemaakt relinkje, opdat de eendjes zich met de handjes uit het water konden trekken. In diezelfde oude wijken begeven ouderen zich liever niet meer op straat, vrezen naar eigen zeggen de jeugd en doen vooral niets dat opvalt - loopplankjes bevestigen, bijvoorbeeld.