Gouden handdruk voor ambtenaar is helemaal niet nodig

De voor procureur-generaal Van Randwijck getroffen ontslagregeling heeft niet alleen commotie gewekt bij de politiek en het plubliek, maar ook bevreemding bij deskundigen op het gebied van het ambtenarenrecht.

In mijn praktijk heb ik regelmatig bemoeienis gehad met arbeidsconflicten die zich 'op hoog niveau' afspelen. Zowel gelet op de positie van de ambtenaar, als op die van het bevoegd gezag daarin, worden deze conflicten meestal in der minne geschikt, zonder dat het tot procedures voor de rechter leidt. Het is evident dat in zulke procedures met name door de betrokken ambtenaar 'de vuile was buiten gehangen' kan worden en dat de media daar veel belangstelling voor hebben. Noch de overheid, noch (veelal) de ambtenaar is bij dergelijke publiciteit gebaat.

Er wordt dus voor hogere ambtenaren onderhandeld over het probleem en het meestal onvermijdelijke gevolg: hun vertrek. Veelal is immers herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk. Zo'n oplossing heeft een prijs. Het is duidelijk dat de hoogte van de prijs wordt bepaald door het dossier dat ter tafel ligt. Is er jegens de ambtenaar volgens de rechtspositie-voorschriften juist gehandeld? Wie kan het meest uit de school klappen over het conflict en over de achtergronden daarvan? En welke partij richt daarmee het meeste schade aan welke partij aan?

Als de omstandigheden met zich brengen dat de ambtenaar moet worden uitgekocht (lees: afgekocht), dan moet over de inhoud van de te treffen ontslag-regeling worden onderhandeld. Dat kan en moet met de nodige creativiteit gebeuren.

Voor het ontslaan van een ambtenaar in vaste dienst is een aantal gronden gegeven. Voor wat rijksambtenaren betreft, is dat onderwerp geregeld in het hoofdstuk Schorsing en ontslag van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Eén van deze gronden is het zogeheten ongeschiktheidsontslag (artikel 98, lid 1, sub g ARAR), op grond waarvan een ambtenaar in vaste dienst die zijn functie niet naar behoren uitoefent, kan worden ontslagen.

Het hoofdstuk kent echter een ontsnappingsclausule (artikel 99 ARAR), dat bepaalt dat een ambtenaar in vaste dienst ook op andere dan reguliere gronden kan worden ontslagen. In dat geval wordt de ambtenaar van een uitkering verzekerd, die “met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten”. Als bodem voor de te treffen regeling is wettelijk bepaald dat deze niet minder zou mogen bedragen dan de uitkeringsregeling waarop de ambtenaar krachtens de Rijkswachtgeldregeling aanspraak zou kunnen maken.

Tot de wijziging van het ARAR op dat punt in 1987 was voor de toepassing van dit artikel een “zware” procedure voorgeschreven. Het ontslag werd formeel door de Koningin verleend, op voordracht van de minister-president. Deze beoordeelde de redenen die aanleiding tot dat ontslag hebben gegeven én de in dat kader getroffen regeling. Ná de wijziging van het ARAR in 1987 is de bevoegdheid voor het verlenen van dit ontslag en voor de uitkeringsregeling geheel komen te liggen bij de minister onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken ambtenaar heeft gewerkt. In het geval van de heer Van Randwijck is dus de minister van justitie exclusief bevoegd om hem ontslag met toepassing van artikel 99 te verlenen en een uitkeringsregeling te treffen “die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten”.

De vraag rijst waarom deze minister - als de berichten in de media juist zijn - voor de heer Van Randwijck zo'n exorbitante regeling heeft getroffen. Zeker als met hem in december 1994 een functioneringsgesprek is gehouden waarvan de uitkomst voor betrokkene negatief was en hij sindsdien geen verbetering in zijn functioneren heeft kunnen aanbrengen.

Het is onzin dat de minister nu in een brief aan de Tweede Kamer schrijft dat de rechtspositie van een ambtenaar het onvermijdelijk maakt betrokkene een gouden handdruk te geven. Voor de hand had immers gelegen om de heer Van Randwijck voor te houden dat zijn functioneren van dien aard is geweest, dat een ontslag wegens ongeschiktheid (artikel 98) gerechtvaardigd zou zijn, danwel onvermijdelijk lijkt. Aan zo'n ontslag is in het algemeen een gewone wachtgelduitkering verbonden.

Natuurlijk had de minister van justitie de heer Van Randwijck ook de gelegenheid moeten bieden de eer aan zichzelf te houden. Denkbaar was om hem te bewegen op te stappen door hem - al dan niet “op zijn verzoek” - ontslag met toepassing van artikel 99 ARAR te verlenen en hem een gewone wachtgeldregeling aan te bieden. Gezien de zeer terughoudende toetsing die een ambtenarenrechter op zo'n ontslag mag toepassen, hoeft de betrokken minister nauwelijks te vrezen dat haar besluit zou worden vernietigd. Bovendien is de ambtenarenrechter bepaald niet scheutig met schadevergoedingen. Gedacht moet worden aan bedragen van - gemiddeld - 10.000 tot 25.000 gulden.

Een gewone wachtgelduitkering is, zeker in vergelijking tot wat buiten de ambtenarij gangbaar is, heel behoorlijk. Een ambtenaar met Van Randwijcks leeftijd en dienstjaren ontvangt - welvaartsvast - een uitkering van drie maanden 93 procent, negen maanden 83 procent, vier jaar 73 procent. Vervolgens heeft hij recht op 70 procent van het laatstverdiende salaris tot aan het 65ste jaar. Het jaarsalaris van een procureur-generaal bedraagt ruim 200.000 gulden per jaar. Op het laagste niveau van zijn uitkering ontvangt hij dus nog 140.000 gulden per jaar aan uitkering. De ambtenaar met wachtgeld mag bijverdienen tot zijn oorspronkelijke inkomensniveau. Van Randwijck zal ongetwijfeld door middel van adviseurschappen en publicaties in staat zijn een aardig bedrag bij te verdienen.

De nu aan de procureur-generaal gegeven gouden handdruk gaat de wachtgeldregeling ver te boven. De hiervoor gegeven berekening toont aan dat de Staat aan 'gewoon' wachtgeld al 1,5 miljoen gulden kwijt is. Aanvulling tot zijn salaris kost de staat per jaar 60.000 gulden. Over de hele looptijd van die regeling kost dat derhalve 420.000 gulden. Opgeteld bij het bedrag dat hem daarnaast nog wordt meegegeven (500.000 gulden) bedraagt het 'extraatje' in feite 950.000 gulden en kost de totale voorziening ongeveer 2,4 miljoen gulden.

De hele IRT-affaire drukt dus - na alles wat er tot nu toe van bekend is geworden - een wezenlijk stempel op de begroting van Justitie.

Het blijft gissen waarom de minister van justitie zo diep in de buidel tast. Zeker is dat de - mijns inziens begrijpelijke - brede commotie over deze gouden handdruk, het haast onmogelijk maakt om ten behoeve van andere hoge ambtenaren die naar aanleiding van de IRT-enquête het veld moeten ruimen, een regeling te treffen “die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.”