FATHI SHQAQI (1952-1995); 'De jihad gaat onverminderd door'

“Ik denk dat ik al langer heb geleefd dan ik had verwacht”, placht de militante Palestijnse leider Fathi Shqaqi te antwoorden op de vraag of hij zelf niet bang was te worden vermoord. “Hij was iemand die moordde en daar trots op was, en wie zich bezighoudt met moord loopt het risico zelf te worden vermoord”, zei de Israelische minister van buitenlandse zaken Shimon Peres gisteren. Donderdag was het zover, en daarmee schaarde Shqaqi, leider van de moslim-fundamentalistische groep Islamitische Jihad, zich in de lange rij Arabieren die naar algemeen wordt aangenomen door Israel zijn geliquideerd: leden van de terreurgroep Zwarte September, Yasser Arafats nummer 2, Khalil al-Wazir (Abu Jihad), Hezbollah-leider Abbas Musawi, en vele anderen.

Fathi Shqaqi werd in 1952 geboren in het armzalige Palestijnse vluchtelingenkamp Rafah in de Gazastrook. Tijdens zijn studie medicijnen aan de Zaqazziq universiteit in Kairo in de jaren zeventig kwam hij in aanraking met Egyptische moslim-activisten, en na de val van de sjah in 1979 ook met vertegenwoordigers van het nieuwe islamitische regime in Teheran. In elk geval is Iran ook nu nog de balangrijkste financiële en ideologische steunpilaar van de Islamitische Jihad, samen met Libië. Beide landen zijn, niet toevallig, felle tegenstanders van Yasser Arafats Palestijnse beweging en zijn vergelijk met de Israeliërs.

Na de moord op president Sadat in 1981 door de Egyptische radicale Jihad-beweging werd Shqaqi vastgezet en later door de Egyptische autoriteiten uitgewezen. Hij keerde terug naar de Gazastrook, waar hij de Islamitische Jihad in Palestina opzette voor de gewapende strijd in naam van de islam tegen de joodse staat toen de meerderheid daartoe de tijd nog niet geschikt achtte. Aanslagen op Israeliërs met messen werden de specialiteit van de groep.

Na een korte gevangenisperiode in 1982 werd hij in 1985 tot vier jaar gevangenis veroordeeld, maar in 1988, kort na het uitbreken van de intifadah, naar Libanon uitgewezen. Vandaaruit, en later vanuit de Syrische hoofdstad Damascus bleef hij de activiteit van zijn groep coördineren. Volgens Gideon Ezra, een vroegere Israelische veiligheidsfunctionaris, stond “elke actie onder controle van Shqaqi, die tegelijk commandant was, trainer en de man die het geld inzamelde”.

De Jihad-activisten, enkele honderden, zijn inmiddels van messentrekkers veranderd in zelfmoordterroristen die op busstations bommen tot ontploffing brengen, om koste wat het kost het vredesproces te dwarsbomen. Want Shqaqi wilde niets weten van dat vredesproces: “Onze jihad is onze bestaansreden. Deze jihad zal onverminderd doorgaan, hoe groot ook de moeilijkheden, het leed of de opofferingen die noodzakelijk zijn”, aldus Shqaqi eerder dit jaar. “Onze strijd gaat door. Dit is de wet van de Islamitische Jihad, die we nooit zullen opgeven.”