De onschuld fataal gestrand in een chemisch huwelijk

Voorstelling: Het Chemisch Huwelijk van Gerrit Komrij door De Appel. Regie: Agaath Witteman. Decor: Barbara de Vries. Spel: Robert Prager, Aus Greidanus, Carol Linssen, Hubert Fermin, René van Zinnicq Bergmann. Gezien: 28/10, Sudio Appeltheater, Den Haag. Nog te zien: aldaar t/m 24/12. Elders vanaf januari. Inl. 0760-3502200.

Een concierge op oorlogspad is Hubert Fermin na de pauze. Hij speelt Caspar, de butler van Graaf Manfred en zijn vriend Max in Gerrit Komrij's Het Chemisch Huwelijk (1982). In een onderonsje met de zaal verkondigt hij het naderend onheil en levert en passant venijnig commentaar op de toekomstige slachtoffers. Hij ziet alles, hoort alles, weet alles, hij is de afgevaardigde van zijn schepper. Hij is een staaltje van klassieke toneelschrijfkunst, bedreven door een schrijver, die destijds pas één stuk van Shakespeare vertaald had maar het verschijnsel van de hofnar al op waarde wist te schatten. De Caspar van Fermin, voorzien van enkele onderscheidende tics, is prachtig. Oog en oor van het publiek, scheidt hij het kaf van het koren en relativeert hij de gebeurtenissen, helder en geestig.

Maar anders dan de hofnar van Shakespeare onderneemt Caspar geen pogingen de gebeurtenissen in goede banen te leiden en zijn baas te waarschuwen. Hij kijkt in de retort die Komrij niet voor niets Het Chemisch Huwelijk noemde - en lacht. In het naar Goethes roman Die Wahlverwandtschaften (1809) gemodelleerde stuk voegt de schrijver twee vreemde maar verwante 'stoffen' toe aan de verbinding tussen Manfred en Max: Cardenio, de zoon van Manfred, en Marius, een oude vriend van Max. Een experiment kun je dat in dit geval niet noemen; Komrij weet precies wat de nieuwe verbinding op moet leveren: een ontploffing die samenvalt met het vuurwerk op het feest dat Manfred en Max organiseren om tien jaar verbondenheid (én isolement) te vieren.

Dertien jaar geleden ging Het Chemisch Huwelijk bij Zuidelijk Toneel Globe in première, als grote zaal-produktie. Nu is het weer te zien, bij toneelgroep De Appel, in de regie van Agaath Witteman, in de kleine studio van het eigen theater in Scheveningen. Het decor van Barbara de Vries, een salon, wordt bepaald door doorschijnende wandschilderingen, waarachter een met spiegels beklede gang, al naar gelang de belichting, het spel van schijn en werkelijkheid visualiseert. Want we hebben hier te maken met boys in the band, homoseksuelen die, zoals bekend, van maskerades houden en van travestie, van omkeringen en gecultiveerde kunstmatigheid. Theatraliteit, kortom, die geen kwaad kan in het theater.

Ik weet niet goed of deze enscenering nu juist alle recht doet aan Komrij's stuk of een mislukking is. Ik griezelde ervan - wat misschien niet de bedoeling van de schrijver is, maar wel het oogmerk van de regisseur kan zijn. Haar voorstelling gaat minder over onschuld en hartstocht die op fatale wijze stranden, dan over een eng kringetje wufte dandies. Ouwelijke tutnichten zijn het, met een goed georganiseerd huishouden, en geen gebrek aan geld, die je, in repressievere tijden, op besloten avondjes, zo op een sofa ziet liggen, als Romeinen in lakens gehuld, met een tros druiven aan hun mond. Ongeëmancipeerd, pathetisch, slachtoffers van een boze buitenwereld - laten we blij zijn dat het zo niet meer hoeft.

Het is genante, provinciale decadentie van veertig, vijftig jaar geleden die De Appel ons voorschotelt. Een omzichtige Haagse benadering van een zogenaamd gewaagd onderwerp. De voorstelling moet eigenlijk wel een mislukking zijn. Ondanks het moedige spel van bij voorbeeld Carol Linssen als Manfred, waarvan hij een bedachtzame oudere man maakt die zijn emoties beheerst maar niet verstikt. Ondanks de Max van Robert Prager ook die, als de enige welgevormde acteur van Nederland, uit de kleren gaat en onder het al te nabije oog van het publiek en temidden van alle geforceerde artifice probeert hartstocht te belichamen. En ondanks de mooie rol van Fermin, die voor de verademende momenten zorgt. Die zijn er bij de gratie van een enscenering, die niet zozeer benauwend is door het stuk maar door de regie. Het noodlot van Komrij's personages is in handen van Witteman verworden tot het onverschillig latende wedervaren van een stel smaakvolle closet-queens. Komrij's retort is de kast geworden, waarin uranisten zich vanouds verbergen.